125 jaar Rode Kruis Breda. 1910-1918: Nieuwe taken

125 jaar Rode Kruis in Breda en omgeving

1910-1918: Nieuwe taken

De uitbreiding van de mogelijkheid tot samenwerking met militaire geneeskundigen en de bredere doelstelling van de vereniging bleken ook het Bredase comité in staat te stellen het plaatselijke Rode-Kruiswerk nieuw leven in te blazen. Reeds in 1906 had het hoofdcomité instructies gegeven voor de oprichting van zogeheten transportcolonnes. In tijd van oorlog zouden deze colonnes ‘op de door de militaire autoriteiten aan te wijzen evacuatie-stations’ gaan werken. Hun taak was het opvangen, behandelen en verder vervoeren van zieke en gewonde militairen. Zij stonden onder bevel van een commissaris van het Rode Kruis, die op zijn beurt aanwijzingen kreeg van de chef van de Militaire Geneeskundige Dienst.1 In Den Haag, Rotterdam en Utrecht, Amsterdam en Breda kwamen deze het eerst van de grond.2

1. Van Bergen, 175.
2. Lucardie, 11.

In Breda werd in 1908 gestart met een cursus ziekenverpleging, waar vijftien mensen aan deelnamen. In 1909 werden meteen plannen gemaakt voor de opleiding van een tweede ploeg.3 Aan het einde van dat jaar werd ook begonnen met de opleiding van de eerste ploeg van de transportcolonne; het jaar daarop werd een tweede ploeg opgeleid, zodat medio 1911 de colonne 32 leden telde en voldoende gevormd was om aan landelijke oefeningen te kunnen deelnemen.4

3. Archief NRK, nr. 13: Jaarverslag 1908-1909.
4. Archief ABRK, nr. 52: Jaarverslag 1910-1911.

Tijdens de vergadering van het bestuur op 18 mei 1910 werd besloten tot het verder activeren van de afdeling. Vanaf die tijd zijn we ook beter ingelicht over het Bredase Comité omdat vandaar af het archief bewaard is gebleven. Jhr. mr. A. Reigersman werd gekozen tot voorzitter. Hij aanvaardde de benoeming en sprak daarbij de hoop uit ‘dat er meer leven in de werkzaamheden van de Vereeniging het Roode Kruis zal komen’. Er werden al ‘vrijwillige leekenhelpstersʼ opgeleid. Zij volgden cursussen bij de Bredase arts S. Moerel en bij de militaire arts dr. P.C. Mensonides5 in het garnizoenshospitaal.

5. Archief ABRK, nr. 1: Notulen bestuursvergadering 18-5-1910.

Het was inmiddels hard nodig het bestuur bij de tijd te brengen. Als een van de eerste taken vatte het bestuur het herzien van het reglement aan. Dit was noodzakelijk geworden door wijzigingen die al in 1906 in de Conventie van Genève waren aangebracht.6 Verder werd het bestuur aangevuld met jongere krachten. Vice-voorzitter generaal majoor b.d. W.L. de Petit merkte op dat hij de meeste bestuursleden te oud vond om in oorlogstijd actief te zijn.7 Op de bestuursvergadering enkele maanden na deze opmerking van De Petit zette de voorzitter de andere leden van het bestuur voor het blok en kondigde aan vanwege zijn leeftijd af te treden. Hij had dit al aan het hoofdcomité laten weten ‘om niet in de verleiding te komen, te zwichten voor den aandrang nog te blijven’.8

6. Ibidem.
7. Ibidem: bestuursvergadering 2-12-1910.
8. Ibidem: bestuursvergadering 17-5-1911.

Wellicht was hij het met De Petit eens en vond hij dat hij het goede voorbeeld moest geven. Maar blijkbaar vreesde hij ook dat niemand bereid zou zijn hem op te volgen en hij zo gedwongen zou zijn te blijven zitten. Nadat een algemene vergadering van het Bredase comité had plaatsgevonden waarop een aantal bestuursleden gekozen werd, was het bestuur compleet.9 Tevreden constateerde het bestuur dat nu ook jongere krachten bereid waren gevonden zich in te zetten voor het Rode Kruis.10

9. Ibidem: notulen algemene vergadering 26-6-1911.
10. Ibidem: notulen bestuursvergadering 30-6-1911.

Het nieuwe bestuur begon meteen met het zoeken naar een geschikt gebouw en schafte tevens nieuw materiaal aan. Men had de benodigdheden voor tien bedden, maar dat aantal moest worden uitgebreid naar dertig. Ook moest er een ruimte worden gevonden om eventueel een noodziekenhuis te kunnen inrichten. Aan het gemeentebestuur werd toestemming gevraagd om een deel van het gemeenteziekenhuis aan de Schorsmolenstraat als zodanig te mogen inrichten.11 De gemeenteraad ging hier echter niet mee accoord. De voorzitter vernam van de burgemeester dat de regering al op alle mogelijke lokaliteiten voor mobilisatiedoeleinden beslag had gelegd. Ook het Diakonessenziekenhuis gaf geen gehoor aan de oproep.12

11. Ibidem: notulen 12-10-1911.
12. Ibidem: notulen 29-2-1912.

Uiteindelijk werd een lokaal in de Julianaschool, destijds gevestigd aan het Van Coothplein, gevonden. De burgemeester zegde toe dat hij erop zou toezien dat het in oorlogstijd ook daadwerkelijk beschikbaar zou komen.13

13. Ibidem: notulen 10-5-1912.

Men had nu dus ruimte in geval van oorlog, maar er was ook behoefte aan een permanent onderkomen. Het bestuur vond het nodig een eerste-hulppost in te richten en voor een les- en een vergaderlokaal en magazijnruimte te zorgen.14 Nadat verschillende gebouwen als te duur waren afgewezen, viel de keuze op het pand Koninginnestraat 7, tegenwoordig nummer 9.15 Blijkbaar was daar meer dan voldoende ruimte, want de familie Soetekouw die voor het beheer was geëngageerd, trok daar tevens in als onderhuurder. Hun dochter kon bovendien een lokaal in gebruik nemen voor haar fröbelklasje.16

14. Ibidem: notulen 19-7-1912.
15. Ibidem: notulen 21-8-1912.
16. Ibidem: notulen 11-9-1912.

Het Rode Kruis had zelf de beschikking over een les- en een vergaderlokaal, een EHBO-lokaal en een depot. Van de aanschaf van een grote brancard moest echter weer worden afgezien, omdat daarvoor geen plaats was.17 Aan materiaal had men zeven brancards, twee verbandkisten en twee verbandtassen. Een inzamelingsactie werd gestart om het gebouw te kunnen inrichten. De toneelvereniging ‘Jacob van Lennep’ droeg bijvoorbeeld hieraan bij door op 30 oktober 1912 het stuk ‘Julius Caesar’ op te voeren. Begin oktober was al ƒ 410 binnengehaald.18

17. Archief ABRK, nr. 1: Verslag van de toestand van het Comité over 1912; notulen bestuursvergadering 5-3-1913.
18. Ibidem: 5-10-1912.

Maar ook de eigenlijke taak vergat men niet: bij het uitbreken van een oorlog op de Balkan werd door het Nederlandse Rode Kruis een ambulance gezonden en het Bredase comité deed een oproep geld te geven hiervoor.19

19. Ibidem: 20-11-1912.

Ook het nieuwe bestuur zag er het belang van in, dat het Rode Kruis in vredestijd actief zou zijn en daarom werd bekeken hoe de transportcolonne dan ingezet zou kunnen worden. Vanuit de algemene ledenvergadering werd opgemerkt dat de taak van het Rode Kruis in die situatie nog onvoldoende duidelijk was. Het verlenen van eerste hulp of het in stand houden van een hulphospitaal vond men niet op de weg van het Rode Kruis liggen. ‘Maar wel was men er algemeen van overtuigd, dat om te blijven bestaan, om leden en geld te kunnen krijgen, het Comité iets moest doen, waarop men kon wijzen als iets nuttigs, iets goeds dat van ’t Comité was uitgegaan’, aldus het verslag. Ook kwam naar voren, dat men zo in tijd van oorlog beter geoefend zou zijn.20

20. Ibidem: 18-1-1912.

Wat ook blijkt, is dat de verhouding met het hoofdcomité weer te wensen overliet. Het bestuur besloot, toen men bezoek kreeg uit Den Haag, de afgevaardigde eens goed duidelijk te maken dat men in Breda bezig was met de opbouw van een afdeling en te wijzen op de ‘geringe medewerking tot nog toe, zoowel geldelijk als anderszins van de zijde van ’t Hoofd-comité’.21 ‘Het Comité Breda is arm’, had de ledenvergadering al geconstateerd. Men was erin geslaagd 30 mensen een opleiding verbandleer te geven, voor de dames was een cursus georganiseerd en ook de bestuursleden hadden les genomen. ‘Waarom krijgt Den Haag geld en wij niets?’, klonk het uit de vergadering.22

21. Ibidem: notulen vergadering mannen- en vrouwencomité 17-2-1912.
22. Ibidem: notulen bestuursvergadering 18-1-1912.

Aan het eind van het jaar telde het Bredase comité 221 leden, van wie 31 vrouwen. Er was een transportcolonne met 36 leden en men kon een beroep doen op een arts, maar afgezien van een aantal petten was er voor de leden van de transportcolonne nog geen uitrusting. Verder was een verpleegcolonne in oprichting. In tegenstelling tot de transportcolonnes bestond deze geheel uit vrouwen, die tot taak hadden eerste hulp te verlenen aan gewonden. In het eigen gebouw was verder plaats voor zes bedden en in tijd van oorlog konden er in de Julianaschool nog eens twintig geplaatst worden.23

23. Ibidem: notulen mannen- en vrouwencomité 17-2-1912.

In 1913 steeg het aantal leden tot 375. Voor het verlenen van eerste hulp bij ongelukken was een verpleegster beschikbaar, die dat jaar twintig maal in actie kwam. Het materieel werd uitgebreid met een brancard van het model ‘De Mooij’,24 waarmee gewonden veel gemakkelijker konden worden vervoerd. Dit was een uitvinding van de Nederlandse generaal-majoor C. de Mooij, die vele uitvindingen op het gebied van de militaire ziekenverpleging op zijn naam heeft staan.25

24. Ibidem: verslag van de toestand van het comité over 1912.
25. Archief ABRK, nr. 56: Jaarverslag 1913.

In mei 1914 kwam het punt van activiteiten in vredestijd weer naar voren. Het bestuur besloot de burgemeester van Breda erop attent te maken dat het Rode Kruis achttien mannen en elf vrouwen beschikbaar had om ingezet te worden bij rampen. Ook spoorwegmaatschappijen werd gewezen op de hulp die het Rode Kruis kon bieden. Om de geoefendheid van de helpers te verbeteren werden ziekenhuizen gevraagd ‘stage-plaatsenʼ ter beschikking te stellen. Het protestantse Diaconessenziekenhuis ging hierop in, onder de voorwaarde dat er alleen dames van protestants-christelijken huize te werk zouden worden gesteld. Het katholieke Elisabethziekenhuis wees het verzoek helemaal af.26

26. Rombach, 30.

De transportcolonne telde nog 24 mannen, van wie 16 inmiddels het bewijs van geoefendheid verkregen hadden en nu in het bezit waren van een verbanddoos en een uniform. De verpleegcolonne bestond uit vier beroepsverpleegsters en één gediplomeerd helpster.27

27. Archief ABRK, nr. 1: notulen bestuursvergadering 6-5-1914.

De Eerste Wereldoorlog

De ontwikkelingen in Europa namen snel daarna het bestuur geheel en al in beslag. Op 28 juli 1914 verklaarde Oostenrijk-Hongarije aan Servië de oorlog, waarna de spanningen tussen de grote mogendheden in Europa met het uur toenamen. Elk moment kon ook in Nederland de mobilisatie van het leger afgekondigd worden.

Op 30 juli 1914 kwam het bestuur bijeen om de noodzakelijke maatregelen te bespreken. Het hoofdcomité had opdracht gegeven onmiddellijk maatregelen te nemen om voorbereid te zijn op de mobilisatie van het Nederlandse leger. De voorzitter had zich er al van verzekerd dat de Julianaschool, waar een noodhospitaal zou worden ingericht, beschikbaar was. Contact was gelegd met de chef van de Militaire Geneeskundige Dienst in Breda en leveranciers waren gewaarschuwd dat zij weldra bestellingen konden verwachten. De leden van de transportcolonne was opgedragen zich beschikbaar te houden. Insignes en identiteitsbewijzen lagen gereed.28

28. Ibidem, nr. 57: Jaarverslag 1914.

Op 1 augustus kondigde de Nederlandse regering de algehele mobilisatie af. In Breda werd de Julianaschool in gereedheid gebracht, waarbij padvinders werden ingeschakeld om de schoolbanken uit het gebouw te verwijderen. Voor transport van gewonden probeerde men trams in te schakelen. Op aanplakbiljetten die overal in de stad werden opgehangen, werd gevraagd om hulp bij transport en verpleging en om giften. De eerste dag meldden zich al 39 dames en 13 heren aan. Het hoofdcomité beperkte zich tot de instructie zo min mogelijk geld uit te geven, de leden van de transportcolonne niet uit te betalen en geld in te zamelen. Dat laatste was een overbodige instructie en ook hierbij maakte men gebruik van de padvinders.

Op 6 augustus was er al ƒ 900,- opgehaald. Ook hadden inmiddels 196 mannen en 143 vrouwen zich als vrijwilliger gemeld. Het gebouw van de Katholieke Kring werd als noodhospitaal ingericht en op 10 augustus volgden de ziekenhuizen in de stad. Zelfs particulieren stelden ruimte ter beschikking om gewonden op te vangen. Maar nog was het comité niet helemaal tevreden: ‘In den Bosch werd 2x zoveel opgebracht als hier’, noteerde de secretaris in zijn dagboek. De redacties van de plaatselijke kranten werd verzocht een oproep om geld te plaatsen. Op 14 augustus was ƒ 1.235,- opgehaald, een maand later ƒ 1418,89.29

29. Ibidem, nr. 1: Notulen bestuursvergadering 30-7-1914.

In totaal meldden zich uiteindelijk 280 vrouwen en 233 mannen. Ze werden ingeschreven en hen werd, indien ze ingezet zouden werden, een billijke vergoeding in het vooruitzicht gesteld. Ook van de aangeboden kamers en woningen voor het verplegen van zieken werd een lijst aangelegd.

Naast het noodziekenhuis in de Julianaschool, dat met twintig bedden was ingericht, waren in het gebouw van de Katholieke Kring eenentwintig, het Gemeenteziekenhuis dertig en Villa Wilhelmina in Princenhage twintig bedden beschikbaar. Na het einde van de zomervakantie werden de lessen van de Julianaschool elders gegeven, maar de slechte verwarming van deze gebouwen maakte het noodzakelijk dat de Julianaschool bij het invallen van de winter ontruimd zou worden.

In plaats daarvan werd het gebouw van de Israëlitische vakantiekolonie ‘Rotterdam’ in gebruik genomen, waar een operatiekamer werd ingericht. Ziekenhuizen en artsen stelden materiaal ter beschikking. Het materieel werd uitgebreid met zo’n vijftig brancards, waarvan een groot deel met behulp van gaspijpen was vervaardigd. Trams werden ingericht om brancards te kunnen vervoeren. Een volledig uitgeruste transportcolonne was beschikbaar. Daarnaast coördineerde het Rode Kruis de verdeling van beschikbare bedden in de Bredase ziekenhuizen voor de gewonden.

Voor het vervoer waren twee auto’s, een motorfiets en een motorboot ter beschikking gesteld door particulieren. Ze werden gebruikt voor ziekenvervoer en andere diensten: zo werd eenmaal een militair vervoerd die een trap van een paard had gekregen en een andere keer werd een Belgische familie teruggebracht naar Herentals. Naast de transportcolonne werden 45 mannen ingezet in een colonne die het plaatselijk vervoer verzorgde.

Een probleem was hoe de mannen snel bij elkaar konden worden geroepen. Behalve enkele notabelen had niemand telefoon. Een verzoek om op een opvallend punt een Rode-Kruisvlag te mogen hijsen, werd door de burgemeester afgewezen. Daarom werd een rooster ingesteld zodat steeds een aantal mannen snel beschikbaar zou zijn.30

30. Ibidem: Verslag mobilisatie 1914.

Vluchtelingen

Omdat Nederland buiten de oorlog bleef, was een grootscheepse inzet van Rode-Kruispersoneel bij de hulpverlening aan gewonde militairen niet noodzakelijk. Wel kwamen grote aantallen Belgische vluchtelingen naar Breda, maar bij hun opvang werd het Rode Kruis niet ingeschakeld. Die hulp was wel aangeboden, maar het comité tot steun aan vluchtelingen had laten weten deze niet nodig te hebben.31 Het bestuur besloot daarop dat er geen vluchtelingen zouden worden opgevangen in gebouwen die ter beschikking waren gesteld van het Rode Kruis zolang elders nog plaats was. Wel wilde men materiaal, met name brancards, ter beschikking stellen.32 Maar ook toen stelde het Rode Kruis nog voortdurend zijn diensten ter beschikking.

31. Ibidem, nr. 57: Jaarverslag 1914.
32. Ibidem: verslag mobilisatie 1914.

De wil was er, maar de instanties die belast waren met de opvang van de vluchtelingen, vonden dat ze het zelf wel afkonden. Niet iedereen was het daarmee eens. Zo had de voorzitter van het comité de klacht te horen gekregen dat het Rode Kruis niets voor de vluchtelingen deed. Het bestuur was hierdoor pijnlijk geraakt en onmiddellijk gingen de leden persoonlijk op het stadhuis hun diensten aanbieden. Langzamerhand werd het Rode Kruis bij de hulpverlening betrokken, maar het lijkt erop dat dit kwam doordat meer hulp onontbeerlijk was. Het comité dreef de zaak echter nooit op de spits.

Toen men bijvoorbeeld geattendeerd werd op een zolder waarop 23 vluchtelingen verbleven, waaronder een aantal kinderen met de mazelen, volgde men het advies van de gemeentearts die optreden niet noodzakelijk vond om verschillende niet nader aangeduide redenen.33 Later werd het Rode Kruis wel ingeschakeld. Waarschijnlijk konden de autoriteiten en het Comité dat de hulpverlening aan de vluchtelingen regelde, de stroom vluchtelingen niet meer aan.

33. Ibidem: notulen bestuursvergadering 11-10-1914.

Begin september was deze stroom op gang gekomen, nadat bombardementen op o.a. Antwerpen hadden plaatsgevonden. Op 6 oktober meldde het Dagblad van Noord-Brabant dat hotels, pensions en kloosters in Breda en omgeving vol zaten.34 Naar schatting bevonden zich 5.000 à 6.000 vluchtelingen in Breda en omgeving. Daarenboven waren velen via Breda doorgestuurd naar opvangadressen elders in het land.35 Zo moesten op een dag 1.700 vluchtelingen opgenomen worden.36

34. Ibidem: 23-10-1914.
35. DNB, 6-10-14.
36. DNB, 7-10-1914.

Op het ‘hoogtepunt’, op 12 oktober waren in totaal 18.000 vluchtelingen in Breda en omgeving ondergebracht. Eind oktober kwam de terugkeer weer op gang: veelal per trein via Roosendaal.37 Begin november bevonden zich nog zo’n 500 vluchtelingen in Breda die niet konden terugkeren omdat hun huizen verwoest waren.38 In de loop van 1915 kon het noodziekenhuis in het gebouw van de Katholieke Kring ontruimd worden en de vakantiekolonie. In plaats daarvan werd een herenhuis aan de Ulvenhoutselaan 7 betrokken, waar 34 bedden werden geplaatst.

37. DNB, 8-10-1914.
38. DNB, 26-10-1914; BC, 9-11-1914.

Hulpverlening tijdens de oorlog

Het Bredase comité bleef steeds paraat, ook tijdens de verdere mobilisatie. Via Nederland werden van beide strijdende partijen gewonde militairen gerepatrieerd. Er werd onder meer hulp verleend bij het vervoer en de verzorging van gewonde Britse soldaten die terugkeerden uit Duitse gevangenschap. Van de Britse ambassadeur ontving het Bredase comité speciale dank. Het liep niet altijd even goed.

Zo was aangekondigd dat op 16 februari 1915 een trein met Duitse gewonde militairen, die vanuit Roosendaal naar Duitsland onderweg was, een korte stop zou maken in Breda. De bestuursleden begaven zich persoonlijk naar het station om chocolade en sigaren uit te reiken aan de mannen,39 maar ze zagen de trein voorbij rijden. Meteen stuurden ze een telegram naar het hoofdcomité: ‘Treinen hebben niet gestopt’.40 Later bleek er evenwel toch een trein te stoppen, waardoor de heren hun goede werken toch konden verrichten.

39. Archief ABRK, nr. 49: Afschrift brief bestuur Comité aan Hoofdcomité 17-2-1915.
40. Ibidem, nr. 16: Britse ambassade Den Haag aan Comité Breda 7-3-1915.

In één geval werd ook aan een gewonde burger hulp verleend. Op 25 november 1915 rond 10 uur in de ochtend werd bij Zundert een meisje geraakt door een kogel uit het geweer van een grenswacht. De enige beschikbare ziekenauto was die van de Militaire Geneeskundige Dienst, maar de verantwoordelijke commandant gaf geen toestemming deze te gebruiken voor het vervoer van burgers. Het Rode Kruis had in Breda een auto ter beschikking gekregen van een particulier.

Deze auto was provisorisch ingericht als ziekenauto, maar toen de chef van het militair hospitaal rond één uur ’s middags contact opnam met het Rode Kruis, bleek de chauffeur niet te vinden en destijds was het niet zo eenvoudig snel iemand met een rijbewijs te vinden. Er gingen nog enkele kostbare uren voorbij voordat iemand gevonden werd die de gewonde met een gewone auto van Zundert naar Breda kon brengen.

Als de verantwoordelijke militairen zich niet zo formeel hadden opgesteld, had het vervoer veel eerder en met een geschikte wagen kunnen plaatsvinden, zo schreef het Bredase comité in een brief aan het hoofdcomité, waarin erop werd aangedrongen dat bij de militaire autoriteiten protest zou worden aangetekend tegen deze gang van zaken.41

41. Ibidem, nr. 61: Jaarverslag 1918.

Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, in oktober 1918 had het Bredase Rode Kruis wederom veel werk met de verpleging van vluchtelingen. In Ulvenhout werden twee scholen ingericht, evenals het noodziekenhuis aan de Ulvenhoutselaan en de villa Valkhorst. In totaal werden 30 patiënten opgenomen. Op 5 november werden de inrichtingen in Ulvenhout ontruimd en werd de ambachtsschool in gebruik genomen. Daar werden tot eind november 69 patiënten verpleegd. Het Rode Kruis kreeg hulp van dames-vrijwilligers en werkte samen met zusters van de Soevereine Orde van Malta en de Johanniter Orde. Toen eind november de wapenstilstand werd getekend kon ook het noodziekenhuis aan de Ulvenhoutselaan ontruimd worden.42

42. Ibidem.

Afd. Breda en omgeving – pagina 23-34

Scroll naar boven