Jan Brouwers, 125 jaar Rode Kruis in Breda en omgeving 1870-1995. Publikatiereeks Gemeentearchief Breda, studies 11 (Breda 1995)
1870-1909: de oprichting
Breda als vestingstad
Breda was aan het eind van de jaren zestig van de negentiende eeuw een vestingstad van nog geen 15.000 inwoners, omgeven door vestingwerken en met een groot garnizoen binnen de muren. Waar tegenwoordig de singels lopen, bevonden zich nog verdedigingswerken die de uitbreiding van de stad verhinderden. Plaats voor nieuwe industrieën was er nauwelijks. Arbeiders trokken weg, onder meer naar Tilburg, waar de industrie zich onbelemmerd kon ontwikkelen en de lonen hoger waren dan in Breda.
In 1870 werd een begin gemaakt met de sloop van de omwalling van de stad en kon Breda gaan profiteren van de groeiende welvaart die de industrie met zich meebracht. De uittocht van arbeiders kwam tot stilstand en het inwonertal groeide. Breda ontwikkelde zich tot een middelgrote industriestad, maar dat proces zou nog enkele tientallen jaren in beslag nemen. In 1870 was Breda nog een garnizoensstadje, met een kleine elite waarvan veel hoge militairen deel uitmaakten. Uit deze kringen kwam het initiatief tot de oprichting van het Bredase Rode Kruis.
De oprichting van het Rode Kruis
Op 8 mei 1870 verscheen in de Bredase kranten een oproep om een plaatselijk comité van het Rode Kruis op te richten:
‘Breda verzuimde tot dusver zich aan te sluiten; Breda, dat voor zijn welvaart zoveel aan het leger te danken heeft. Te lang reeds duurde dit verzuim’1
Iedereen van alle rang en stand, geloof en politieke overtuiging werd opgeroepen op 13 mei de oprichtingsvergadering bij te wonen in het Hof van Holland, tegenwoordig de Casino-bioscoop in de Reigerstraat.
Internationale achtergrond
In 1863 was het Internationale Rode Kruis opgericht en al snel volgden nationale comités. Geïnspireerd door de oproep van Henri Dunant, die in zijn pamflet ‘Un souvenir de Solferino’ het gebrek aan hulp voor gewonde militairen op het slagveld had gehekeld, organiseerden zich overal in Europa mensen, die aan deze uitwassen van de moderne oorlogvoering iets wilden doen.
Het verschijnen van een Nederlandse uitgave van Dunants geschrift leidde niet direct tot de oprichting van een Nederlands comité, hoewel enkele Nederlanders het initiatief van Dunant vanaf het begin ondersteunden.2 De militaire arts Johan Basting bijvoorbeeld, was als Nederlands gedelegeerde betrokken bij de conferentie van Genève in 1863, waar de grondslag voor het Rode Kruis werd gelegd. Hij werkte nauw samen met Henri Dunant. Ook in Nederland ijverde hij voor de oprichting van een ‘Hulpmaatschappij tot verzorging van zieken en gekwetsten’. Het resultaat was echter dat hij door zijn chef werd overgeplaatst van Den Haag naar Bergen op Zoom, waardoor het hem niet lukte een landelijke organisatie op te zetten. Wel was Bergen op Zoom dankzij hem in 1868 een van de eerste plaatsen in Nederland waar een plaatselijk comité werd opgericht.3
Het Nederlandse Rode Kruis
Een landelijk comité kwam er in 1867 op initiatief van koning Willem III. De koning had zich eraan geërgerd dat Nederland, bij gebrek aan een nationaal comité, geen gehoor zou kunnen geven aan de oproep van het Franse Rode Kruis om op de wereldtentoonstelling in Parijs van 1867 vertegenwoordigd te zijn met een tentoonstelling over de hulp aan gewonden in oorlogstijd. Ook op een internationale conferentie over dit onderwerp, die tegelijkertijd in Parijs zou worden gehouden, dreigde Nederland te ontbreken.
Daarom vaardigde hij op 19 juli 1867 een Koninklijk Besluit uit, waarin hij de oprichting bekend maakte van de ‘Nederlandsche Vereeniging tot het verleenen van hulp aan zieke en gewonde krijgslieden in tijd van oorlog, het zij Nederland er al dan niet in betrokken is’.
Het is merkwaardig dat het initiatief van het staatshoofd uitging. In andere landen was de oprichting van een nationaal comité steeds een zaak van particulieren geweest. Voor deze typisch Nederlandse ontwikkeling moet een Nederlandse verklaring worden gezocht: in de tijd dat het Rode Kruis ontstond, begonnen in Nederland de verschillende levensbeschouwelijke groeperingen hun eigen organisaties op te bouwen. Voor een organisatie als het Rode Kruis, die levensbeschouwelijk en politiek volstrekt neutraal is, moest in Nederland misschien wel het initiatief uitgaan van een figuur die onomstreden boven alle maatschappelijke groeperingen stond en die de nationale eenheid symboliseerde. De koning was bij uitstek zo’n persoon.4
De oprichting in Breda
Ook in Breda ging het initiatief tot oprichting van een plaatselijk comité van het Rode Kruis uit van iemand die in brede kring gezag genoot. Hoewel dit initiatief werd ondersteund door een groep vooraanstaande Bredanaars, kunnen we toch wel aannemen dat de grote man achter het idee ds. M.A. Perk was, vader van de dichter Jacques Perk. Als predikant van de Waalse kerk probeerde hij contact te onderhouden met andersdenkenden. Uit de hele omgeving kwamen mensen naar zijn diensten in de kerk aan de Catharinastraat: niet alleen leden van de Waalse gemeente, maar ook protestanten uit andere kerkgenootschappen en katholieken. Soms was de Waalse kerk zo vol, dat bij naburige koffiehuizen stoelen moesten worden geleend.5
Perk was actief in vele liefdadige comités en had goede contacten met de militairen in Breda. Ondanks zijn voorliefde voor de militaire wereld was hij niet blind voor de gevolgen van de moderne oorlogvoering. Hij was zeer begaan met de slachtoffers van de oorlog. Zijn bemoeienis met het Bredase Rode Kruis lag dan ook voor de hand.6 Net als Dunant en zijn medestanders behoorde hij tot de zogenaamde ‘reveil-christenen’, die zich niet isoleerden ten opzichte van andersdenkenden en een sterk sociaal bewustzijn hadden. Florence Nightingale en William Booth, die in 1861 het Leger des Heils oprichtte, behoorden eveneens tot deze stroming.7
Perk was ook degene die tijdens de bijeenkomst op 8 mei 1870 in het Hof van Holland het woord voerde. Hij hield voor een gehoor van een zeventigtal belangstellenden een verhaal over het Rode Kruis, waarbij hij mede wees op het nut dat de vereniging in vredestijd zou kunnen hebben. Zijn indrukwekkende rede had resultaat want aan het einde van de avond hadden zich 61 belangstellenden opgegeven.8 Het nieuws verspreidde zich snel en weldra kwamen bij de initiatiefnemers vele verzoeken binnen van mensen die de rede van Perk zelf wilden horen.
Nu was op die eerste vergadering al besloten een nieuwe bijeenkomst te organiseren om een reglement op te stellen en een bestuur te kiezen. De initiatiefnemers maakten echter meteen gebruik van de grote belangstelling en binnen een week werd een nieuwe bijeenkomst georganiseerd. Voor tien cent kon men een plaats reserveren en dit keer waren ook dames welkom.9 Tijdens deze vergadering werd tot oprichting van het Breda’s comité besloten:
‘Vele aanwezigen, waaronder 22 dames, traden toe, zoodat de Bredasche afdeling met een 170tal leden in het leven trad’
Op 13 juni werd het reglement van het comité goedgekeurd en volgde de erkenning door het hoofdcomité.10 Het aantal leden was inmiddels gestegen tot 228.
Officieel luidden de namen van de nieuwe organisatie oorspronkelijk ‘Bredasch Comité tot het verleenen van hulp aan gekwetste en zieke krijgslieden’ en ‘Nederlandsche Vereeniging tot het verleenen van hulp aan zieke en gewonde krijgslieden, in tijd van oorlog’. Voor het gemak spreken we in het vervolg van het ‘Bredase comité van het Rode Kruis’ en van het ‘Nederlandse Rode Kruis’.
De oorlog van 1870/1871
Toen in Breda het comité opgericht werd, verwachtte men waarschijnlijk niet dat er binnen enkele weken vlak over de grens een oorlog zou uitbreken. Toch gebeurde dat: op 19 juli 1870 verklaarde Frankrijk Pruisen de oorlog. Het Bredase comité ging men meteen leden en fondsen werven. In naburige gemeenten werden ‘corresponderende’ leden benoemd, die zorgden voor een toename van het aantal leden van buiten Breda: Geertruidenberg, Roosendaal, Etten-Leur, Terheijden, Princenhage, Steenbergen, Ginneken, Oudenbosch, Made, Drimmelen, Zundert, Dongen en Oosterhout. In deze laatste plaats werd al snel een zelfstandig comité opgericht.
Via spontaan georganiseerde loterijen kwam ongeveer ƒ 1.200 binnen. In Breda gaven muziekverenigingen in samenwerking met de rederijkerskamer Vreugdendal een concert, waarvan de helft van de opbrengst naar het Rode Kruis ging. In totaal werd bijna f 5.000 opgehaald. Daarnaast stroomden wekenlang verband- en voedingsmiddelen binnen. De kranten stonden er vol van. Het aantal leden steeg tot 479, van wie er 290 uit Breda afkomstig waren, 22 uit Ginneken en 17 uit Princenhage. Merkwaardig genoeg leverde Steenbergen het grootste aantal niet-Bredase leden, namelijk 47, gevolgd door Roosendaal met 39, terwijl in Bergen op Zoom al langer een comité bestond. Wellicht kenden Steenbergen en Roosendaal zeer actieve ‘corresponderende’ leden die goede contacten hadden met Breda. Dit gold dan misschien ook voor Geertruidenberg, dat 23 leden leverde die zich kennelijk niet aansloten bij het nieuwe comité in Oosterhout.
Voorbereiding en training
Elf mannen en zestien vrouwen kregen les in verpleging. Verder stelden drie artsen en drie godsdienstleraren zich vrijwillig ter beschikking voor respectievelijk medische en geestelijke bijstand aan gewonden. Hoewel tien van de vrijwilligers bereid waren naar het slagveld te vertrekken, besloot het hoofdcomité van het Nederlandse Rode Kruis geen gebruik te maken van hun diensten. Even leek het erop dat ze toch naar Luxemburg of Mannheim zouden vertrekken, maar het hoofdcomité besliste dat het beter was een beroep te doen op plaatselijke verplegers, die beter op de hoogte waren met de situatie en de taal van de gewonden spraken.
De zending naar Metz
Toch zou een afvaardiging uit Breda nog naar het oorlogsgebied gaan. Toen berichten over de erbarmelijke toestanden in de stad Metz, waar 25.000 zieken en gewonden op hulp zouden wachten, de buitenwereld bereikten, deed het Bredase comité opnieuw een verzoek om een transport naar het getroffen gebied te mogen verzorgen. Dit keer kwam er wel toestemming op voorwaarde dat de voorzitter, de admiraal Pels Rijcken, en secretaris Perk het transport zouden begeleiden. Met voor ongeveer ƒ 1.700 aan kleding, dekens, verbandmiddelen en voedings- en genotmiddelen vertrokken zij voor de moeilijke tocht per trein naar Frankrijk.11
Perk deed tijdens die tocht inspiratie op voor de vele lezingen die hij later zou geven over het Rode Kruis. Zijn ervaringen bundelde hij in een boekje, waarin hij vooral lucht gaf aan zijn verontwaardiging over de manier waarop militairen en burgers te lijden hebben onder de oorlog, maar ook inging op de problemen die zij ondervonden op hun missie.
Al bij hun vertrek op 11 november ging het mis: de wagon met de hulpgoederen was kwijt. Uiteindelijk bleek deze in Tilburg te staan en kon de tocht beginnen. In België en Luxemburg ging het vlot, maar eenmaal op Pruisisch grondgebied aangekomen, begonnen de problemen. Steeds weer moesten gezagsdragers ervan worden overtuigd dat de goederen voor zowel Franse als Duitse soldaten bestemd waren en dat het geen hulp aan de Franse burgerbevolking betrof. Steekpenningen moesten er aan te pas komen om de zaak weer in beweging te krijgen en ook op de voorraad sigaren werd regelmatig een beroep gedaan. Na een week werd Metz pas bereikt, een smerige en door het maandenlange beleg uitgeputte stad.
De goede hotels waren bezet door Pruisische officieren. Perk beschreef hun eerste verblijfplaats als volgt:
‘Voor dien nacht namen wij het voor lief in een hôtel van den dertienden rang geloof ik, en nog gaat mij eene rilling over het lijf, als ik denk aan de smerigheid, die er heerschte, en aan het bed, waarin ik van de vermoeienissen van den dag moest uitrusten en aan de lakens, waaronder ik mij, -wie weet de hoeveelste persoon, sints zij het laatst gewasschen waren,- nedervlijde, terwijl wij ter nauwernood aan het gevaar ontsnapten onze kamer nog met een paar vreemde snoeshanen, wie weet van welke natie? te moeten deelen.’
Gelukkig konden ze de volgende dag al een kamer bemachtigen in het Grand Hotel de Metz, waar de opperbevelhebber van het Pruisische leger en zijn staf zich dagelijks tegoed deden aan champagne.
Twaalf dagen na het vertrek uit Breda kwam eindelijk ook de wagon met hulpgoederen aan. Weliswaar was hij eerder dan Perk en Pels Rijcken uit Saarbrücken vertrokken, maar halverwege op een zijspoor gerangeerd. Machteloos hadden de twee mannen moeten toezien dat treinen met soldaten die naar het front moesten, voorrang kregen. Ingrijpen durfden ze niet, want wie weet werden ze dan wel voor spionnen aangezien. Toen hun wagon aankwam, waren de papieren gelukkig in orde, zodat de inhoud gelost kon worden. Perk beschreef het schouwspel:
‘Maar welk een schouwspel vertoonde zich aan mijn blik, bij het openen der deuren!… Dadar lag een groote kist op zijde, zonder deksel!… De wollen dekens hingen er uit! Een zestal heb ik er gemist… Een mand met cognac was geheel ledig!… Het hooi en de stroo, waarin de flesschen gewikkeld waren geweest, lag in het rond verspreid… Ook een kist thee was opengebroken, doch de inhoud ongeschonden.’
‘”Ik mocht blij zijn,” verzekerde de Wagenmeister, “dat ik er zóó afkwam. Geen wagen van het Roode Kruis arriveerde er, of men had hem beroofd!”‘
Hulpverlening in Metz
De gewonden die door het Rode Kruis konden worden geholpen, hadden geluk. Aanvankelijk lagen zij in tenten op de grond in de modder, vaak zonder dekens of in goederenwagons. Velen verhongerden daarbij of bezweken aan koudvuur. De Nederlandse ambulance, waaronder destijds een compleet mobiel hospitaal werd verstaan, was gevestigd in een houten gebouwtje dat in de Jardin Fabert stond en plaats bood aan zestig zieken. Tevreden constateerde Perk dat er ‘eene echte Hollandsche zindelijkheid en orde’ heerste. Het enige probleem was dat de Franse soldaten, die na hun herstel in krijgsgevangenschap naar Duitsland weggevoerd zouden gaan worden, zo snel ze konden ontsnapten.
‘Uit andere ambulances hadden zich reeds, naar ik vernam, verscheidene herstellenden, die zich eene burgerkleeding hadden weten aan te schaffen, weggemaakt; sommigen, en dit verdient zekerlijk afkeuring, voortgeholpen door sommigen van het daar werkzame personeel.’
De rest van zijn verblijf besteedde Perk aan de geestelijke verzorging van de protestantse gewonden. Hij deed dit in opdracht van het hoofdcomité in Den Haag. Later werden in de pers vraagtekens gezet bij deze activiteit, maar Perk beriep zich op de doelstellingen van het Rode Kruis waarin ook gewag werd gemaakt van het voorzien in de geestelijke behoeften van de zieken. Dit was voor hem ook van wezenlijk belang.
Hoe konden deze gruwelen in de toekomst voorkomen worden? Dat was de vraag die zich aan Perk opdrong:
‘Door uiterlijke beschaving alléén, door toenemende, louter wetenschappelijke ontwikkeling? Och, deze zal zoo veel niet uitrichten. Kunstiger zullen nog wel de vernielingswerktuigen kunnen worden! Wisser de schoten uit kanonnen en mitrailleuses treffen en nog grootere stroomen menschenbloed op hetzelfde oogenblik doen vloeien!’
Vredesbewegingen en instellingen van liefdadigheid zouden hun bijdrage kunnen leveren, maar het meeste verwachtte hij van het bestrijden van de slechte eigenschappen in de mens zelf en ’te arbeiden aan de voortplanting van den Christelijken Geest.’ Ook besteedde hij aandacht aan de getroffen burgerbevolking in de omgeving van Metz:
‘Hun lot schreit ten hemel! De stoutste verbeeldingskracht is te zwak om zich al de jammeren voor te stellen, die de oorlog over hen bracht. Ziet! al wat ik daarvan leerde kennen deed mij het bloed stollen in de aderen, en vervult mij nog met een onbegrensd medelijden. De gedachte daaraan is mij blijven vervolgen en legt mij aanhoudend de vraag voor: “Is daar dan niets tegen te doen? Kan ook hier geen hulp worden aangebracht tot verzachting van een naamloos wee?”‘12
Resultaat van de zending
De zending was uiteraard een druppel op een gloeiende plaat, maar de heren konden met tevredenheid op hun werk terugkijken. De chef van het Nederlandse veldhospitaal in Metz zag door de Bredase schenking kans een tweede hospitaal in te richten. Pels Rijcken en Perk werden ingezet voor de organisatie: ze regelden bedden en ander materiaal en telegrafeerden naar Den Haag om geneeskundig personeel over te laten komen. Ze ontvingen voor hun werk van het Franse Rode Kruis een bronzen herinneringskruis en door de Nederlandse koning werden ze onderscheiden met een medaille in brons.
Het Rode Kruis in vredestijd
Tijdens de jaarvergadering van 17 februari 1871 kon de secretaris in zijn jaarrede over 1870, het eerste jaar van het bestaan van de afdeling spreken over:
‘een moeilijk en veelbewogen jaar, dat de jeugdige instelling, van het oogenblik, waarop zij het levenslicht aanschouwde, moest doorleven, maar dat zij toch op een eervolle wijze heeft ten einde gebracht en gedurende ’t welk zij een rijken schat van ervaring opdeed, waarvan zij in de toekomst de vruchten zal kunnen plukken’
Het comité had zich meteen kunnen bewijzen en een belangrijke bijdrage geleverd aan de Nederlandse hulp aan de gewonden in de Frans-Pruisische oorlog. Nederland had zich in dit opzicht bijzonder onderscheiden, aldus Perk:
‘menige stervende ontsliep met eene zegenbede voor Nederland op de lippen’13
Het jaar 1871 was rustiger voor het Bredase comité. In Frankrijk betekende de Parijse opstand weliswaar een bloedig dieptepunt, maar het ging hier om binnenlandse onlusten en op dat terrein zag het Rode Kruis geen taak voor zich weggelegd. Te Breda probeerde het comité het enthousiasme dat de hulp tijdens de oorlog had losgemaakt, vast te houden. De ruimte die de statuten boden om bij rampen in vredestijd te helpen, zou maximaal benut worden, zo verklaarde de secretaris tijdens de tweede jaarvergadering. Deze activiteit vond men noodzakelijk om voorbereid te zijn indien onverhoopt weer een oorlog mocht uitbreken.
Om echter ook in vredestijd dienstbaar te kunnen zijn, besteedde het Bredase comité een deel van het ingezamelde geld aan de aanschaf van een hospitaaltent, waarin ingeval van rampen of epidemieën 30 mensen konden worden verpleegd.14
Epidemieën en hulpverlening
Deze wens was op zich niet vreemd. Breda werd in die tijd nog regelmatig door epidemieën getroffen; zo had er nog in 1866 cholera geheerst. In de jaren 1870-1871 raakten 417 mensen besmet door de pokken15 en het comité zag onmiddellijk een taak voor zich weggelegd bij de bestrijding daarvan. Het hoofdcomité gaf echter geen toestemming voor inschakeling van het Rode Kruis bij de hulpverlening. De leden van het Bredase comité namen daarop het initiatief om op persoonlijke titel een petitie op te stellen die werd ondertekend door 120 vooraanstaande Bredanaars. Zij drongen hierin aan op verdergaande maatregelen van de overheid om de epidemie te bestrijden.16
Invloed op het nationale beleid
Deze gang van zaken was aanleiding voor het Bredase comité te proberen meer invloed te krijgen op het beleid van het Nederlandse Rode Kruis. Het hoofdcomité kon grote invloed op het werk van de plaatselijke comités uitoefenen, maar die hadden daarentegen niets te zeggen over het beleid van het hoofdcomité. Tijdens de algemene vergadering van het Nederlandse Rode Kruis in december 1871 stelde voorzitter Pels Rijcken van het Bredase comité voor de plaatselijke comités meer invloed te geven in het landelijke beleid, maar het hoofdcomité wilde niet eens over dit voorstel praten. Wel nam de algemene vergadering een voorstel aan waardoor inspraak in de benoeming van nieuwe leden van het hoofdcomité mogelijk werd, maar dit betekende nauwelijks een vergroting van de invloed van de lokale afdelingen.17
De belangstelling taant
Ondanks haar inspanningen, slaagde het Bredase comité er niet in de belangstelling vast te houden. Redenen waren onder meer het vertrek van ds. Perk in 1872 naar elders, en het ontmoedigende beleid van het hoofdcomité. Het aantal leden daalde snel. In 1871 waren het er nog 450. In 1876 waren er 202 leden, maar in 1881 zien we een opleving: het aantal steeg tot 289. Er was dat jaar weer een concreet doel: hulpverlening bij de overstromingen langs de Maas in Noordoost-Brabant. De hele voorraad hulpgoederen werd toen naar het getroffen gebied gezonden.
In 1882 daalde het aantal leden echter al weer naar 249 en in 1886 waren het er nog maar 128. De jaaropgave vermeldt dan geen zendingen, geen materiaal (de tent was blijkbaar niet meer in bezit van het Rode Kruis) en geen verplegenden in opleiding. Onder ‘werkzaamheden’ zien we vermeld: ‘voor het tegenwoordige geene’. Tien jaar later telde de afdeling Breda nog slechts 86 leden, maar de voorraden waren wel aangevuld.18
In het jaarverslag over 1898 staat te lezen dat het bestuur probeerde het Bredase comité wat meer leven in te blazen. Men wachtte op een gunstige gelegenheid om leden te werven en was voornemens materiaal aan te schaffen waarmee men ook in vredestijd het algemeen nut zou kunnen dienen. Hiermee hoopte men de belangstelling voor het Rode Kruis te doen toenemen.19
De Boerenoorlog
Die gunstige gelegenheid kwam al snel. In 1899 braken in Zuid-Afrika de Boerenoorlogen uit. De strijd van de Boeren, grotendeels van Nederlandse afkomst, tegen de Engelsen trok hier te lande veel belangstelling. Het aantal leden van het Bredase comité steeg meteen naar 224 en de secretaris kon nu in zijn jaarverslag melden:
‘De toestand onzer afdeeling is zeer bloeiend’
Er was ƒ 3.113,78 bijeen gebracht voor zending van een ambulance naar Zuid-Afrika en verder waren levensmiddelen ter beschikking gesteld. Weer werd het voornemen uitgesproken om materiaal te kopen dat in vredestijd dienst kon doen.20 Daar kwam echter niets van en na de oorlog zette de daling van het aantal leden weer in. In 1906 is nog een kleine opleving te zien. Men begon toen met een soort ‘mailing’ om nieuwe inwoners van Breda te interesseren. Het had enig effect, maar het volgende jaar bleek dat de brieven veel te laat of niet de deur uitgingen en het aantal leden liep meteen weer terug tot 139.21
Algemene ontwikkeling
Het feit dat het Bredase comité de eerste tientallen jaren van zijn bestaan een kwakkelend bestaan leidde, is op zichzelf niet opmerkelijk. Het Rode Kruis in zijn algemeenheid zag tot de Tweede Wereldoorlog zijn ledental sterk schommelen. In tijd van oorlog nam het aantal leden explosief toe en kwamen grote hoeveelheden geld binnen. Daarna liep het ledental terug en gingen vele comités een slapend bestaan leiden of werden opgeheven.22 Breda is dus eerder regel dan uitzondering. Het gebrek aan activiteiten staat echter in schril contrast met het enthousiasme en idealisme waarmee ds. Perk aanvankelijk het Bredase comité wist te bezielen. Zijn vertrek was een zware aderlating voor dit comité, maar kan niet als enige oorzaak worden aangewezen.
Al snel na de oprichting van het Nederlandse Rode Kruis ontstond er discussie over het doel van de organisatie. Vanuit de plaatselijke comités werd aangedrongen op een ruime uitleg van de taken, zodat het Rode Kruis ook in vredestijd actief kon zijn. Dit zou de paraatheid in oorlogstijd kunnen verhogen en, zoals we in het geval van Breda duidelijk zien, de belangstelling voor het Rode Kruis levend houden. Het hoofdcomité hield echter vast aan ‘hulp aan militairen in oorlogstijd’. In Breda wist men hiervan mee te praten: het initiatief om iets te doen aan de pokken-epidemie werd door het hoofdcomité afgekeurd.
Tijdens de eerste algemene vergadering van het Nederlandse Rode Kruis in 1867 was het punt van de werkzaamheden in vredestijd al aan de orde gesteld door een aantal plaatselijke comités. Het hoofdcomité had hierop gezegd dat:
‘het verleenen van hulp aan krijgslieden in tijd van oorlog tot eenig doel is gesteld, het Hoofd-Comité dit doel alleen behoort in ’t oog te houden; doch aangezien oefening en waarneming aan het ziekbed onmisbaar zijn voor wezenlijke en werkelijke hulpverschaffing aan krijgslieden in den oorlog, zoo verklaart het Hoofd-Comité de afdeelingen gerechtigd, om in tijd van vrede persoonlijke hulp te verleenen aan zieken en gewonden die geen krijgslieden zijn’23
Het is begrijpelijk dat het hoofdcomité het Rode Kruis in de beginjaren niet met al te veel taken wilde belasten; men vreesde wellicht dat de kerntaak in het gedrang zou komen. In het geval van Breda blijkt echter dat het oefenen voor een oorlog, zonder concrete dreiging, onvoldoende was om een afdeling actief te houden.
Pas in 1909 erkende ook het hoofdcomité dat de taak van de comités: het inzamelen van materiaal en het opleiden van personeel voor dienst in oorlogstijd, te beperkt was. Dat leidde tot een fundamentele wijziging. Een nieuw Koninklijk Besluit voegde aan de doelstellingen van het Rode Kruis toe: ‘mede te werken tot leniging van den nood bij rampen in binnen- of buitenland’ en ‘De vereeniging wijdt zich in vredestijd aan zoodanig maatschappelijk werk, dat de belangstelling der Natie in haar streven levendig gehouden, haar bloei bevorderd en medegewerkt worde tot het vormen van kapitaal en tot het verkrijgen van de noodige hulpmiddelen’.24 25 Hulpverlening bij rampen en het verrichten van maatschappelijk werk om de belangstelling voor het Rode Kruis in vredestijd levend te houden was nu officieel toegestaan.