Kathedralen en basilieken

Katholiek Nieuwsblad 19 april 2019

Het begon allemaal in Schiedam. Daar ontdekte hij de basiliek van de H. Liduina en Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans. “Ik was stomverbaasd. Voor mijn gevoel was een basiliek een mooie oude kerk in Italië of in Frankrijk, maar niet in Schiedam. Maar dat was tot mijn verbazing is dit wel zo, basilieken in Nederland! En ik merkte dat de meeste mensen niet weten – ook katholieken niet. Dat intrigeerde mij: hoeveel basilieken zijn er, waar staan die en wat betekent dat. Dat ben ik uit gaan zoeken en daar is een boekje uit ontstaan.”

De gepensioneerde arts Kolstee bezocht alle kathedralen en basilieken van Nederland. Vanaf 28 april komt er een bij: de Martinuskerk in Venlo. Hoe wordt een kerk een basiliek? Je kunt daartoe een verzoek indienen in Rome, zo legt hij uit. “In het algemeen is het zo dat je een bijzondere historie moet hebben of een speciale devotie, een relikwie, een bedevaart of processie.” Vaal gaat het initiatief uit van parochianen: het verzoek komt dus weilicht echt van de basis, zo denkt hij.

Aanleiding om de kerk in Venlo tot basiliek te verheffen was het duizendjarig bestaan. “Overigens bestaat de huidige kerk pas vijfhonderd jaar, al is dat ook al een hele tijd. De voorganger was een romaanse kerk en daarvoor stond er een houten kerk, zoals dat vaak gaat. Ten tweede is er de devotie tot Onze-Lieve-Vrouw van Genooi. Genooi is een klein gehucht ten noorden van Venlo. Daar staat een kapel die onder de hoede is gekomen van de Martinuskerk. Verder speelde mee dat er in de zeventiende eeuw de Synode van Venlo plaatsvond waarbij Kevelaer als officiële bedevaartsplaats werd erkend.” Overigens hoeft een basiliek op zichzelf niet oud te zijn, merkt Kolstee op. “De jongste basiliek is de Sint-Petrusbasiliek in Boxmeer. Die is pas na de Tweede Wereldoorlog gebouwd, nadat de oude kerk tijdens de oorlog verwoest was. Het gebouw is dus heel jong.” Maar de geschiedenis van deze kerk gaat meer dan duizend jaar terug en de jaarlijkse processie met de reliekschrijn van het H. Bloed waren samen de redenen om de kerk de status van basiliek te geven. “Bolsward heeft sinds kort ook een basiliek en dat is ook een betrekkelijk jonge kerk, zo’n 85 oud. Daar gaat het om Maria van Sevenwouden, een middeleeuws wonderbeeldje.”

Hoe kun je een basiliek herkennen? “Van binnen kun je een basiliek herkennen aan het conopeum en het tintinnabulum, een processiestaf met een belletje. Het conopeum is een baldakijn dat een eresymbool is voor een vorstelijk persoon. In Azië is dat nog gebruikelijk. Een basiliek is eigenlijk een soort ambassade. De paus is daar welkom, zijn baldakijn staat al klaar. Dat is het idee.”

Kolstee heeft alle basilieken van Nederland gezien. Een moeilijke vraag: welke vindt hij de mooiste? “Ik vind de Willibrordusbasiliek in Hulst bijzonder mooi. Het is een echte Vlaamse basiliek met de toren in het midden van de kerk. Het is een middeleeuwse kerk met een moderne toren, want de oude is er tijdens de Tweede Wereldoorlog afgeschoten. Iedereen vond de nieuwe toren verschrikkelijk lelijk, maar ik ben hem gaan waarderen. Hij staat ook op de omslag van mijn boek. Verder vind ik de basiliek van de H. Nicolaas in Amsterdam heel mooi. De kathedrale basiliek van Sint-Bavo in Haarlem is indrukwekkend: op de Sint-Jan in Den Bosch na – de andere kathedrale basiliek – de grootste katholieke kerk van Nederland.”

Kolstee bezocht dus alle basilieken in Nederland, maar hij kwam nogal eens voor een gesloten deur. Dat vindt hij jammer: die kerken maken deel uit van ons religieuze erfgoed. Als onderdeel van ‘Het grootste museum van Nederland’ – een initiatief van het museum Catharijneconvent in Utrecht – zijn de basiliek van de H. Nicolaas in Amsterdam, de kathedraal in Haarlem, de basiliek van O.L.Vrouw Sterre der Zee in Maastricht en de basiliek van de H.H. Agatha en Barbara in Oudenbosch vrijwel dagelijks open. Ze zijn ook voorzien van gidsen en van een audiotour. Komen er in de toekomst nog nieuwe basilieken bij? Kolstee hoorde van twee kandidaten: de Munsterkerk in Roermond en de Sint-Jeroen in Noordwijk. Het is dus afwachten.

Hugo Kolstee, Alle kathedralen en basilieken van Nederland\

Uitgever: Berne Media\

Pagina’s: 288 | € 22,95
ISBN: 978 9089 7211 67

De Beeldenstorm van 1566 als jarenlang proces

Katholiek Nieuwsblad 10 mei 2019

De beeldenstorm van 1566 betekende niet dat alle kerken in een klap waren ontdaan van al hun beelden. Wat er precies gebeurde, verschilde van plaats tot plaats en het duurde soms tientallen jaren of nog langer voordat de kerken die in handen waren gekomen van de protestanten het sobere uiterlijk hadden gekregen dat we nu kennen. Elizabeth den Hartog, als kunsthistorica verbonden aan de Universiteit Leiden, onderzocht hoe met beelden en andere kerkelijke kunstvoorwerpen voor tijdens en na de beeldenstorm werd omgegaan. Toen ze met een aantal collega’s een boek schreef over de Pieterskerk in Leiden viel het haar op dat er weinig te vinden was over de inrichting van de kerk tijdens de Middeleeuwen. Ze hoopte dat de verslagen van de processen die na 1566 tegen de beeldenstormers waren gevoerd, meer informatie zouden opleveren. Maar dat viel tegen. Wat er precies vernield was, bleef onduidelijk. Geïntrigeerd ging ze andere verslagen van beeldenstormen lezen. Daaruit bleek dat de beeldenstorm overal op een andere manier verliep. Op sommige plaatsen werden alle beelden kort en klein geslagen, maar er waren ook kerken die ongeschonden bleven. Hoe er met de beelden werd omgegaan is ook interessant. “Ik kwam een verslag tegen van de beeldenstorm in Brielle waar de rederijkers een proces voerden tegen de beelden. Ze hebben dus meer gedaan dan alleen beelden kapot maken: ze zijn ook voor schut gezet, maar dat proces was wel het raarste wat ik tegenkwam.” Ook curieus is wat ene Willem van Cuylenburg deed. Den Hartog schrijft hoe hij hoogstpersoonlijk het hoofdaltaar van het Kruisbroedersklooster in Acquoy ‘aan gort sloeg’ en de stenen meenam naar zijn kasteel waar hij er een toegangspoort mee bouwde. De poort noemde hij ‘Altaerburch’. “Als kunsthistorica vond ik het vooral interessant wat ze met de beelden deden en waarom. Die beelden waren mijn voornaamste bron van informatie. Je gaat kijken hoe ze kapot zijn gemaakt, waar ze terecht zijn gekomen en wat dat betekent.” Als voorbeeld geeft ze de kerk in Woerden. Daar zijn de beelden terzijde van de kerk begraven waar de kapellen waren. In Doorn daarentegen zijn de beelden in de gangpaden van de kerk begraven, waar de mensen eroverheen liepen. Dat is waarschijnlijk met opzet gedaan. “Je ziet vaak dat protestanten altaarstenen gebruiken als drempels voor de kerk: een vorm van desacralisatie”, aldus Den Hartog. Maar niet overal ging het er zo ruig aan toe, zo benadrukt Den Hartog. In de vloer van de Hooglandse kerk in Leiden is een beeld gevonden van Elia die water en brood krijgt van een engel. Katholieken beschouwen dit als een voorafbeelding van de eucharistie. Het beeld is niet kapotgeslagen, maar het brood en de waterkruik zijn er heel zorgvuldig uitgehakt. Het beeld van de profeet zelf bleef ongeschonden. Zo kon het dus ook gebeuren. Het is zelfs goed denkbaar dat katholieken beelden uit de kerken hebben verwijderd. “Die beeldencultus was een heleboel mensen een doorn in het oog. Het wil niet eens zeggen dat het protestanten waren die het deden. Erasmus had er ook al moeite mee en hij was geen protestant.” De beeldenstorm van 1566 in de Nederlanden was geen unieke gebeurtenis. “Kritiek op het gebruik van beelden is er altijd geweest, ik vind het belangrijk dat dat gezegd wordt. De beeldenstorm van 1566 was niet de eerste. Beeldenstormen zijn van alle tijden, alleen niet op die schaal waarop het in Nederland en België is gebeurd.” Natuurlijk is het zo dat wij de protestantse kerken in Nederland herkennen aan hun sobere interieur, ontdaan van beelden en schilderijen. Maar dat typische interieur is pas heel geleidelijk de norm geworden. “Het is verbazingwekkend hoe lang ze nog bezig zijn om altaren en beelden weg te halen. Het witten van de muren gebeurt vaak nog veel later. Saenredam schilderde die kerken in de zeventiende eeuw. Als je ziet hoe de kerkinterieurs in Utrecht er toen uitzagen denk je: zagen ze er nog maar zo uit. Er zitten dan nog allerlei schilderingen en beelden in. Het is dus echt heel geleidelijk gegaan en het is niet precies te zeggen wanneer.” Historici zijn het er al langer over eens dat de overgang in de Nederlanden van katholiek naar protestant niet van de ene op de ander dag plaatsvond. Het was een geleidelijk proces waarbij het er lange tijd nog naar uitzag dat een hervorming binnen de rooms-katholieke kerk mogelijk was. Elizabeth den Hartog laat zien dat ook de beeldenstorm het interieur van de kerk niet overal in een klap veranderde. Hoe het dan wel ging, wie erbij betrokken waren, wat de motieven waren: dat komt allemaal in haar boek aan de orde.

Elisabeth den Hartog, Een spoor van vernieling. Het Noord-Nederlandse kerkinterieur voor, tijdens en na de Beeldenstorm
Uitgever: Verloren
Pagina’s: 104 | € 15
ISBN: 978 90 8704 773 3

De Sint-Martinuskerk en de Zwarte Madonna van Halle

Katholiek Nieuwsblad 20 september 2019

In een nis in het hoofdportaal van de Sint-Martinusbasiliek in Halle liggen 32 kanonskogels op een hoop. Ze zijn het bewijs van de bescherming die de ‘Zwarte Madonna van Halle’ de stad zou hebben geboden tijdens een belegering in 1489. Het beeld stond op de stadswallen en ving de projectielen op in haar schoot, zo gaat het verhaal. Dat zou ook verklaren waarom het beeld zwart is: dat komt van de kruitdampen. In 1580 zou het beeld Halle opnieuw hebben gered. Toen belegerden protestanten uit Brussel de stad.

Vanouds ligt Halle in een grensgebied: tijdens de Middeleeuwen in Henegouwen aan de grens met het hertogdom Brabant, tegenwoordig in Vlaams-Brabant aan de grens met de Waalse provincie Henegouwen. In 1267 schonk Aleidis van Holland, gravin van Henegouwen, het beeld aan de stad Halle. Ze was een dochter van de Hollandse graaf Floris IV en was een tijdlang regentes van Holland toen de bekende Floris V nog niet volwassen was. Met de schenking wilde ze de positie van Halle aan de grens van haar graafschap versterken. Aleidis had het beeld geërfd van haar grootmoeder, de heilige Elisabeth van Thüringen.

Inderdaad werd Halle dankzij het beeld een aanzienlijke stad. Al in de twaalfde eeuw was het een bedevaartsoord, maar dankzij het beeld nam het aantal pelgrims sterk toe. De toenmalige kerk werd te klein en tussen 1341 en 1409 werd de huidige kerk gebouwd, met een toren die aan het einde van de achttiende eeuw werd voltooid en die daarom een typische barokke bekroning heeft.

De bouw was mogelijk dankzij de schenkingen van talloze pelgrims, maar ook van vooraanstaande vorsten. Uiteraard van de graven van Henegouwen, maar ook van de hertog van Brabant. Resultaat was een kerk die een gaaf voorbeeld is van Brabantse hooggotiek met in het interieur enkele van de mooiste kunstobjecten die in de veertiende eeuw zijn vervaardigd: het hoogkoor met de beelden van de apostelen en een madonnabeeld in het grote zuiderportaal van de kerk.

In de loop van de eeuwen werd de kerk verrijkt met vele kunstwerken. De latere koning Lodewijk XI van Frankrijk schonk in 1460 een monstrans en begroef er zijn zoontje Joachim, dat in 1459 overleed, vier maanden oud. Zijn kleine graftombe bevindt zich in een nis in de kerk. Ook koning Hendrik VIII van Engeland schonk een monstrans. Deze monstransen maken deel uit van een grote verzameling liturgische voorwerpen die samen de kerkschat in de crypte van de kerk vormen. Dit jaar nog ontving de kerk een schenking van een anonieme weldoener: zo’n vijftig beelden, schilderijen, juwelen en andere kunstvoorwerpen ter waarde van een miljoen euro. ‘Door de werken aan de Sint-Martinusbasiliek te schenken, kan ik er zelf ook nog elke zondag van genieten. Door de eeuwen heen is er zoveel ambachtelijke kunde in dit gebouw samengebracht zodat de kunstcollectie hier perfect tot haar recht zal komen. Hopelijk kan mijn schenking ook bijdragen tot een nog hogere artistieke en esthetische omkadering van de erediensten in deze basiliek’, aldus de schenker tegenover de Vlaamse krant Het Nieuwsblad.

Wie alle kostbaarheden van de kerk wil zien, moet zijn bezoek overigens wel goed plannen. De crypte waarin de schatkamer zich bevindt is alleen onder begeleiding te bezoeken. Dat bezoek moet ten minste drie weken tevoren worden aangevraagd. Alleen op Open Monumentendag, in Vlaanderen op 8 september, is de crypte tussen 14.00 en 17 uur zonder afspraak toegankelijk.

Toch leent de kerk zich ook voor een spontaan bezoek. Er is genoeg te zien: beelden, schilderijen, glas-in-loodramen, een rijk versierd sacramentshuisje uit 1409. En dat alles heeft beeldenstormen en oorlogen overleefd. Misschien wel een groter wonder dan het doorstaan van een belegering. Dat maakt deze kerk zo uniek.

This is not a collection

Twee jaar is het museum Parcum in Leuven nu open en voor het eerst geeft het een overzichtstentoonstelling van de eigen collectie. Onder de titel ‘This is not a collection’ toont Parcum zowel objecten van bijzondere kunsthistorische waarde als uitingen van volkscultuur en persoonlijke devotie. Deze zijn afkomstig uit kerken en kloosters in Vlaanderen en Brussel en uit particuliere collecties.

Een bijzondere ontdekking is het schilderij ‘De kruisdraging van Christus’, aan het eind van de zestiende eeuw vervaardigd door Michiel Coxcie (1499–1592) ’de Vlaamse Rafael’. Hij was een van de meest vooraanstaande kunstenaars van zijn tijd. Zowel Karel V als Filips II gaven hem vele opdrachten; Filips benoemde hem zelfs tot hofschilder. Het bestaan van het schilderij kwam aan het licht tijdens een inventarisatie door het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur, het expertisecentrum voor religieus erfgoed in Vlaanderen en Brussel, van het kunstbezit van de paters redemptoristen in Jette (Brussel).

Dit was niet de enige verrassing. Curator Liesbet Kusters stuitte tijdens haar onderzoek ze op een doos en zag tot haar schrik dat deze een vrouwenhoofd bevatte. Het bleek van was te zijn en behoorde bij een reliekbeeld van de H. Clara. De romp is gemaakt van textiel en gips. Hierin bevindt zich de reliekhouder met een stukje van het gebeente van de heilige. Hoofd, handen en voeten van was geven het beeld zijn levensechte uiterlijk. Het beeld heeft waarschijnlijk aangekleed en getooid in een glazen grafkist gelegen in het klooster van de Grauwzusters in Antwerpen waaruit het afkomstig is.

Dergelijke objecten die een rol speelden in het dagelijks leven van religieuzen en leken vormen het leeuwendeel van de tentoonstelling. Soms gaat het ronduit om kitch, maar dat hoort er ook bij, aldus curator Liesbet Kusters. Plastic Mariabeeldjes uit Lourdes worden beschouwd als ‘lage kunst’, “toch vertellen ze in hun authenticiteit ook iets over het aanvoelen van mensen. De diversiteit geeft een mooi beeld van het religieuze leven in Vlaanderen. Iedereen zal wel iets herkennen, zich iets herinneren of een emotie ervaren bij deze objecten.”

Sommige zijn zeldzaam. Bijvoorbeeld een bewegend Jezuskind in een kribbe. Door een opwindmechanisme kan het beeldje de armen bewegen en de ogen openen en sluiten. Ook dit wiegje komt uit een klooster. Tijdens de kerstnacht stond het voor het altaar. De zusters kwamen dan naar voren onder het zingen van kerstliederen en wiegden het kindje. Dat is het verhaal bij dit voorwerp en zo wordt alles wat wordt getoond, voorzien van uitleg en achtergronden. Niet met bijschriften maar met een audioguide. Het gesproken woord is de beste begeleiding bij een tentoonstelling zoals deze. De getoonde voorwerpen komen immers uit een wereld die voor de meeste bezoekers vreemd zal zijn.

Uitleg is zeker nodig bij de moderne kunst die te zien is. Het is geen religieuze kunst, maar het zijn hedendaagse uitingsvormen die een dialoog aangaan met de collectie van het museum. “We doen dat omdat religieus erfgoed over veel meer gaat dan religie. Over lichamelijkheid, menselijke relaties, emoties en vragen die mensen zich altijd hebben gesteld. Ook onze kunstenaars zijn daarmee bezig en zij zetten dan weer het publiek aan het denken. Zo tonen we dat religieus erfgoed een grote relevantie heeft in de superdiverse samenleving vandaag”, aldus Kusters.

Concreet betekent dat bijvoorbeeld dat tegenover een beeldje van Christus op de Koude Steen van rond 1500 de video ‘KING’ van David Claerbout te zien is. De video is gebaseerd op een foto van Elvis Presley uit 1956. Tergend langzaam tast de projectie het beeld af van de toen 21-jarige Elvis, die slechts gekleed is in een zwembroek. De kijker wordt gedwongen na te denken over deze jongeman, die op het punt staat een ster te worden en later zal bezwijken onder zijn succes. Hier gaat het om de manier van kijken. Er gebeurt niets, maar in het hoofd van de beschouwer speelt zich van alles af. Zo bekeek de monnik ook in zijn kloostercel het beeld van Christus op de Koude Steen om zich in te kunnen leven in zijn lijden en eenzaamheid.

Het werk Courtyard Tales van Berlinde De Bruyckere heeft een meer directe religieuze associatie. Het bestaat uit versleten dekens. De Bruyckere: “Het moment waarop ik besloot de dekens aan de muur te hangen, moest ik meteen denken aan de nagels van het kruis, alsof je een lichaam aan de muur hangt. Het deken werd zo kwetsbaar en fragiel dat het dezelfde kwetsbaarheid vertoonde als dat van een gewond lichaam, maar ook eenzelfde vorm van schoonheid.”

This is not a colletion is nog te zien tot en met 3 november 2019 in Parcum, Abdij van Park in Leuven. www.parcum.be. Geopend van 10:00 tot 17:00 uur, behalve op maandag en op feestdagen.

Dit artikel verscheen ook in het Katholiek Nieuwsblad van 30 augustus 2019.

Een beeld van de rooms-katholieke kerk in Breda tijdens de negentiende en twintigste eeuw

De toren van de Grote Kerk domineert het silhouet van de stad Breda. In 1637 moesten de katholieken de kerk afstaan aan de protestanten. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Sint-Jan in Den Bosch zou de Bredase Grote Kerk nooit meer in roomse handen komen. Tijdens de negentiende eeuw bouwden de Bredase katholieken eigen kerken waarmee ze hun stempel drukten op het aanzien van de stad. Toen de journalist Gerard van Herpen in 1962 in het Dagblad De Stem zijn rubriek ‘De stad rond’ begon, liet hij er als logo het stadssilhouet van Breda bij plaatsen.

We zien links en rechts fabrieksschoorstenen, de flats van de nieuwbouwwijken en de Koepel, toen nog gevangenis. In het midden staat de Grote Kerk met daarnaast drie neogotische katholieke kerkgebouwen: de Barbarakathedraal aan de Haven, de Jozefkerk aan de Oranjesingel en Maria Hemelvaartkerk die aan de Ginnekenstraat stond. En ten slotte — minder prominent — de Antoniuskerk aan de Sint-Janstraat, de tegenwoordige kathedraal van het bisdom Breda.

Barbarakathedraal

De Barbarakathedraal in Breda behoort tot een van de eerste werken van architect Pierre Cuypers. Nadat de kerk in 1869 gereed was gekomen, werd ze zes jaar later tot kathedraal verheven. Ze verving de Antoniuskerk die weer een gewone parochiekerk werd.

De Barbarakathedraal is niet alleen een vroeg werk van Cuypers, het is ook een van zijn grootste: met maar liefst vijf beuken — een unicum in zijn oeuvre — en een hoge kruisingstoren. De twee torens die hij aan de westkant had getekend, zijn er nooit gekomen maar die ene toren die wel gerealiseerd werd, was hoog genoeg om het silhouet van Breda mede te bepalen.

Nieuwe wijken

Zo was dat nog steeds in 1962. Het was een tijd waarin Breda sterk groeide: na 1945 waren de wijken Hoge Vucht, Brabantpark, Heusdenhout, IJpelaar, Overakker, Boeimeer en Heuvel. Het aantal bewoners van de binnenstad liep tegelijkertijd sterk terug: het centrum van de stad werd een winkelcentrum.

In de nieuwe wijken waren ook kerken nodig. Het was in die tijd immers nog vanzelfsprekend dat elke katholiek zondags naar de kerk ging. Er was veel geld nodig voor de bouw van kerken, schreef het Bisdomblad. ‘En dan liefst van KERKEN, niet van godsdienstige garages, waarin goedkoop ook weer duurkoop zou blijken te zijn.’

Ondertussen werden de kerken in de binnenstad gerestaureerd. Allereerst de Antoniuskerk. Dit rijksmonument werd voor veel geld opgeknapt. Ook aan de kathedraal en de Maria Hemelvaartkerk moest het nodige gebeuren. In de jaren vijftig was in deze gebouwen voor enkele honderdduizenden guldens geïnvesteerd. Daarbij werden onder meer de altaren verplaatst, waardoor ze vanuit de kerk beter zichtbaar waren.

Kerkenbouwzondag

Om geld in te zamelen voor nieuwe kerken organiseerden de Nederlandse bisdommen jaarlijks een ‘Kerkenbouwzondag’. Ter gelegenheid van Kerkenbouwzondag 1962 beschreef de Rotterdamse bisschop Jansen hoe de moderne kerk eruit zag: vooral laag. Imponeren was uit de tijd, de kerk moest een uitnodigende plaats van samenkomst worden. Een jaar later werd zelfs de vraag gesteld: zijn zelfs die moderne, sobere kerken niet te mooi? Niet noodzakelijk, aldus het bisdomblad. ‘Het zou pastoraal onbarmhartig en dus in de grond ethisch onverantwoord zijn’ om van de parochianen te vragen dat ze in een schuur bijeen zou komen.

In 1963 viel voor het eerst het besluit om een kerk in Breda te sluiten: Maria Hemelvaartkerk. De bevolking van de Bredase binnenstad liep sterk terug en de kosten van restauratie van de kerk beliepen een bedrag waarvoor een nieuwe kerk kon worden neergezet. Dat ging de pastoor van de Maria Hemelvaartkerk dan ook doen: in de nieuwbouwwijk Ruitersbos zou een nieuwe kerk komen. Ook de bouw van de vier andere kerken zou deels bekostigd worden uit de opbrengst van de verkoop van de grond aan het V&D-concern, dat er een nieuw warenhuis zou gaan wegzetten.

Het besluit veroorzaakte veel onrust. In het Dagblad De Stem verschenen vele ingezonden brieven en het bisdom was genoodzaakt zijn besluit nogmaals toe te lichten. Het besluit was na veel wikken en wegen genomen, verzekerde het bisdomblad. De Antoniuskerk kwam als monument niet in aanmerking voor sluiting en de kathedraal natuurlijk helemaal niet. ‘Er is nadrukkelijk geen sprake van, dat de Bisschop overweegt nog een tweede parochiekerk in de binnenstad op te heffen.’

Leegloop

De leegloop van de binnenstad was trouwens geen typisch Breda’s verschijnsel: ter gelegenheid van Kerkenbouwzondag 1964 schreef de bisschop van Haarlem dat ook in zijn bisdom, met name in Amsterdam, kerken die hun functie verloren hadden door gebrek aan priesters en gelovigen, moesten verdwijnen. Men moest de moed hebben om afscheid te nemen van gebouwen ‘die plaats dienen te maken voor de onverbiddelijke realiteit van deze stedelijke dynamiek’, schreef de bisschop.

In Breda konden veel gelovigen die moed niet opbrengen. Toen in januari 1965 de sluiting van de Maria Hemelvaartkerk een feit werd, kreeg De Stem weer veel negatieve reacties. Het bisdom herhaalde zijn argumenten nog eens: er waren te veel kerken in de binnenstad van Breda. De Antoniuskerk en de kathedraal kwamen niet in aanmerking voor sluiting omdat deze twee juist gerestaureerd waren. ‘Het zou nu allerdwaast zijn en van kortzichtig beleid getuigen wanneer zou worden besloten de kathedraal af te breken en de Maria Hemelvaart te restaureren’.

Sluiting kathedraal

Maar nog geen drie jaar later, in de zomer van 1967, viel het besluit om de kathedraal te sluiten. Het aantal parochianen was onverwacht snel teruggelopen. De kathedraal werd nauwelijks nog gebruikt. Het was onverantwoord om nog veel geld in deze bouwval te steken.

Op 30 maart 1968 ging mgr. Ernst voor in de sluitingsdienst van de kathedraal. Het bisdomblad ging er uitgebreid op in. De voorpagina bevatte zes foto’s die in detail moesten laten zien hoe slecht het gebouw eraan toe was. En verder werd de keuze voor de nieuwe bisschopskerk, de kerk van de Heilige Michael in een buitenwijk van de stad verklaard.

‘De tijd van het byzantinisme, van triomferende Kerk, van pracht en praal in luisterrijke shows is voorbij, zeker in het Nederlandse katholicisme. Kathedralen worden niet meer gebouwd als eeuwen trotserende monumenten en kerken zijn praktische ruimten geworden, die moeten voldoen aan het kunnen samenzijn van de gelovige gemeente rond de tafel van de Heer. Een bisschop is niet meer een principaal in een klein vorstendommetje en gaat niet meer gekleed in purper van de episcopale discriminatie, maar in het grijze kostuum van de gelijkheid met de broeders in het priesterschap. Het zal misschien ook niet heel lang meer duren, dat hij de gekleurde stropdas draagt van iedere manager en huisvader. Vanuit deze ontwikkeling is het te verklaren, dat er nu, na de sluiting van de Bredase kathedraal, geen kathedraal meer komt, maar een bisschopskerk: de kerk, die de bisschop allereerst wil zien als zijn kerk, waarin hij het gewone volk op een gewone zondag kan bereiken. Een kerk, die zo is gebouwd en ingericht, dat de celebrant midden tussen de mensen kan staan in zijn voorgaan bij de eucharistische samenkomst’.

Geen kathedralen meer

De toenmalige bisschop, mgr. H. Ernst, wilde ‘samen met de pastoor, die geen plebaan zal zijn en nog minder hoogeerwaarde, deze kerk maken tot middelpunt van zijn bisdom. ‘En zeker zal deze nieuwe bisschopskerk haar gewone functie van parochiekerk behouden. Kathedralen zijn niet meer nodig, wel parochiekerken’.

Mgr. Ernst vatte het kerkenbouwbeleid van het bisdom als volgt samen: ‘Een kerk wordt gesloten, een andere wordt opgebouwd. Een kerk wordt opgebouwd daar waar de mensen heengaan. En waar zij wegtrekken wordt er een gesloten. De kerken delen de lotgevallen van de mensen en hun huizen.’

Aan kerkenbouwzondag werd al een paar jaar weinig aandacht meer geschonken in het bisdomblad en in januari 1969 werd voor het eerst de vraag gesteld of het nog wel zin had kerken te bouwen. De ontkerkelijking ging snel: in 1968 was het kerkbezoek tussen januari en oktober met 5 procent teruggelopen. Het leek niet meer verantwoord om overal waar huizen werden gebouwd ook meteen een kerk neer te zetten. Mensen moesten eraan wennen dat ze naar de mis gingen in gymnastieklokalen. Dat gebeurde uiteindelijk niet, maar ook de neogotische Jozefkerk viel in 1972 onder de slopershamer.

Gymnasieklokaal

In 1960 werden de gelovigen nog opgeroepen bij te dragen aan de bouw van fraaie kerken. Je kon toch niet kerken in een garage. Enkele jaren later kwam er al voorzichtig de vraag op of de kerken niet wat soberder konden. De sluiting van de eerste neogotische kerk liet daarna niet lang op zich wachten. En uiteindelijk werd ook het nut van het bouwen van nieuwe kerken betwijfeld. Een gymnastieklokaal was misschien net zo geschikt.

Anno 2001 zijn de meeste kerken die tussen 1955 en 1970 in de nieuwbouwwijken werden gebouwd, alweer gesloopt. De toekomst bleek er toch anders uit te zien dan men in de jaren zestig had gedacht. In de binnenstad werden weer woningen gebouwd, het warenhuis van V&D waarvoor de Maria Hemelvaartkerk moest wijken, zijn er nooit gekomen. Evenmin als de nieuwe Maria Hemelvaartkerk in Ruitersbos.

De kathedraal keerde terug in de binnenstad: de Antoniuskerk, die destijds van sluiting werd gered omdat het een rijksmonument is, verving de ‘bisschopskerk’ in het Brabantpark. Maar het uit het silhouet van de de binnenstad zijn de hoge torens van de katholieke kerken verdwenen.

Bronnen: J.J. Brouwers, ‘Een beeld van de katholieke kerk in Breda. Essay over de recente kerkgeschiedenis’, in: P.H.A.M. Abels e.a. (red.), Van tweeën één. Kerk in West-Brabant door de eeuwen heen (Delft 2001) 257–263.

Jan Brouwers, ‘De verdwenen kathedraal van Cuypers’, in: Katholiek Nieuwsblad, 23 november 2018, 17.

School van liefde

Terwijl in de grote steden van Europa de eerste universiteiten werden gesticht, begonnen de cisterciënzer monniken kloosters te bouwen in onherbergzame gebieden. Ze brachten hiermee een vernieuwing van het kloosterleven op gang door zich weer strikt te houden aan de Regel van de H. Benedictus.

‘Scholen van liefde’, noemden ze hun kloosters. Guerric Aerden geeft met zijn gelijknamige boek een inwijding in deze spiritualiteit uit de twaalfde eeuw die in 1098 begon in de abdij van Cîteaux. “Niet dat het zijn monniken beschouwde als mannen laaiend van liefde, maar het zag zich wel als een oefenplaats voor het ‘leren liefhebben’, als een plek waar men met het grootste geduld de ander en zichzelf leert aanvaarden in het licht van Gods liefde”, zo schrijft Aerden.

De twaalfde eeuw was de tijd waarin het wetenschappelijk redeneren opkwam, ook in de theologie. Niet dat de cisterciënzers bezwaar hadden tegen het gebruik van het verstand, maar om God werkelijk te kennen schoot dit tekort. God is geen louter object van kennis, maar ook van ervaring. Niet voor niets komen in het boek de werkwoorden ‘ervaren’ en vooral ’smaken’ veel vaker voor dat ‘kennen’ en ‘weten’. In de twaalfde eeuw ontdekte de mens dus nieuwe intellectuele mogelijkheden. Dat kwam tot uiting in de stichting van de universiteiten. Maar daarnaast kwam er aandacht voor de affectieve mogelijkheden van de mens. Het was de tijde van de hoofse liefde, maar ook ontdekte men het ervaren van God.

Dat is geen gemakkelijke weg, schrijft Aerden. “De Godservaring is geen instant beleving van ‘vlug-onmiddellijk-en-helemaal’. Er is een levensweg te gaan, en aan het begin van de weg staat de gezonde nieuwsgierigheid die ‘wil leren ervaren’ in het hart en in het gemoed van de gevorderde.”

Aerden beschrijft het ontstaan van de orde en ontsluit het werk en de levens van de eerste cisterciënzers: vooral van Bernardus van Clairvaux, maar ook van Stephanus Harding, Willem van Saint-Thierry en Aelred van Rievaulx. De artikelen in het boek verschenen voor een deel eerder in het tijdschrift De Kovel. Wie ze al gelezen heeft, zal het boek waarschijnlijk toch aanschaffen want die lezer weet dat de geschriften van Aerden een bijzondere kwaliteit hebben. Ze zijn helder en begrijpelijk, maar hebben een zodanige diepgang dat ze bij herhaald herlezen steeds nieuw lijken.

Guerric Aerden, School van de liefde. Cisterciënzers en hun spiritualiteit\
Uitgever: Damon
Pagina’s: 358 | € 24,90
ISBN: 978 9463 4013 95

Borstvoeding en bescherming van zuigelingen

De R.K. Vereeniging tot Bescherming van Zuigelingen in Breda

Bij het 25-jarig bestaan van de R.K. Vereeniging tot Bescherming van Zuigelingen in Breda — dat werd gevierd in 1938 — herinnerde een van de oprichters, de huisarts Chr. Mol, zich dat in 1913 nog vijftien tot twintig procent van de zuigelingen stierf. Een andere huisarts schreef destijds: ‘Wanneer er evenveel kalveren of veulens stierven zou er al lang een interpellatie in de Kamer gekomen zijn; maar nu het “maar” zuigelingen zijn…’. Niet de overheid maar particuliere organisaties namen in Breda het initiatief om hier iets aan te doen. Naast protestantse en neutrale organisaties werden ook de katholieken actief op dit gebied.

De Vereeniging

De bisschop van Breda, Petrus Leijten, riep een aantal dames bij elkaar die op 7 juli 1913 de rooms-katholieke Vereeniging tot Bescherming van Zuigelingen in Breda oprichtten. Zoals dat hoorde had de vereniging een patrones, de H. Barbara, en een geestelijk adviseur, kapelaan A.A.C.J. Asselbergs. Presidente werd F. Sassen-Jurgens, vice-presidente A. van Sasse van Ysselt-de Kuijper, secretaresse Anna de Ruijter, penningmeesteresse Johanna Kessler, en het bestuur werd gecompleteerd met Antoinette Klep.

Op grond van de achternamen kunnen we constateren dat de dames uit de meest vooraanstaande families van Breda kwamen. De familie Klep was bijvoorbeeld eigenaar van de ijzergieterij Etna, Johanna Kessler was een vermogende dame die zeer actief in allerlei vrouwenorganisaties.

De dames waren zich er van bewust dat ze een enorme taak op zich genomen hadden: ‘Zie het kleine, donzige sneeuwvlokje, op zich zelf niets maar langzaam zich samenvoegend tot een sneeuwbal, tot een lawine: de macht der Vereeniging. Alléén kunnen we weinig, vereenigd kunnen we alles.’

Contact met moeders

De dames van de Vereeniging probeerden zo veel mogelijk bij de mensen aan huis te komen. Dat was niet zozeer om de kinderen te verzorgen, maar om de moeders advies te geven.

Het was in die tijd gebruikelijk dat kinderen binnen een dag nadat ze ter wereld waren gekomen, werden gedoopt. Dankzij de administratie van de katholieke kerk kon de vereniging in het kielzog van de pastoor of kapelaan binnenkomen in een gezin waar juist een kind was geboren.

Daarnaast hadden ze nog een andere methode om met moeders en zuigelingen in contact te komen. Het bestuur schafte een weegschaal aan en probeerde de moeders ertoe te brengen hun kinderen regelmatig te laten wegen. Dit gebeurde in het gasthuis aan de Haagdijk. Zo kon gemakkelijk worden nagegaan of het kind normaal groeide. Ook konden de moeders tijdens deze bezoeken weer van advies worden voorzien.

Huisbezoeken

Maar aanvankelijk liep het meeste contact via huisbezoeken. Hiervan werden aantekeningen bijgehouden die de dames met elkaar bespraken. Daaruit blijkt dat ze zich vooral op de arbeidersgezinnen gingen richten. Een aantekening uit 1914 zegt het volgende over een gezin in de Nassaustraat, een van de betere buurten in Breda: ‘net burgergezin, geen bezoeken nodig’. De burgerij was voldoende bekend met hygiëne en kinderverzorging. Daar hoefden de dames hun energie niet voor aan te wenden. Elders was werk genoeg.

Veel moeders konden zich geen hulp veroorloven en moesten na de bevalling zelf voor het huishouden zorgen. Vrouwen van middenstanders moesten meehelpen in de winkel. De bezoeksters drongen er bij de vrouwen op aan dat ze na de bevalling voldoende rust zouden nemen. Het is de vraag of deze goede raad altijd kon worden opgevolgd, al kon de vereniging zorgen voor hulp in de huishouding.

De dames letten er ook op dat de pasgeboren baby’s niet in een benauwde bedstee sliepen. Zo nodig werden er gratis wiegjes ter beschikking gesteld. Stoomtimmerfabriek Van der Sande aan de Emmastraat zette die in elkaar. De vrouw van de directeur was een van de bezoeksters van de vereniging.

Borstvoeding

Ook over de voeding gaven de bezoeksters advies. Ze probeerden de moeders ertoe over te halen borstvoeding te geven en als het kind toch flesvoeding kreeg, de flessen goed schoon te houden. Borstvoeding werd in Noord-Brabant nauwelijks gegeven omdat de katholieke geestelijkheid daar tot dan toe campagne tegen had gevoerd

Solidariteit

De dames-bezoeksters vonden dat ze als vrouwen die een bevoorrechte maatschappelijke positie bekleedden een eigen taak hadden tegenover vrouwen die het minder goed hadden dan zij. ‘Bestrijding der kindersterfte is eene heerlijke taak der vrouw in onze dagen’, sprak de voorzitster tijdens de jaarvergadering van 1916.

Ze zag dit werk al een vorm van solidariteit tussen vrouwen, die de grenzen tussen de verschillende klassen oversteeg.

‘Wij verkeeren thans in een tijdperk waarin de ontwikkelde vrouw beseft, dat zij hare levenstaak zoo vruchtbaar kan uitbreiden buiten haar eigen haard, buiten haar eigen kring, zoolang nog zoovele andere kinderen het noodige naar ziel en lichaam derven. Zij weten hoe onze hedendaagse wetgeving steeds dieper grijpt in het leven der economisch zwaksten en daarom is het ook de taak voor de vrouwen van beteren stand hare minder bedeelde of minder ontwikkelde zusters met raad en daad bij te staan, haar te wijzen op de plichten, die zij te vervullen hebben jegens hare kleinen en die zij vaak zoo schandelijk verwaarloozen, deels uit gemakzucht, deels uit onwetendheid.’

De RK Vereeniging tot Bescherming van Zuigelingen was een voorbeeld van de manier waarop mensen uit de hogere kringen hun morele opvattingen probeerden over te brengen aan de lagere bevolkingslagen. Er werd op gelet of de mensen een fatsoenlijk leven leidden en of ze naar de kerk gingen. De hulp was hier echter niet van afhankelijk.

Het werk van de RK Vereeniging tot Bescherming van Zuigelingen in Breda e.o. was in die eerste jaren vrijwilligerswerk gebaseerd op solidariteit.

Professionalisering

In 1915 waren 149 gezinnen bezocht, in 1916 was dat aantal gestegen tot 527, maar deze spectaculaire stijging zette niet door. In 1917 daalde het aantal bezoeken tot 289 en het aantal bezoeksters bleek te zijn teruggelopen van 30 tot 14. Het werk was te zwaar voor de bezoeksters. Daarom was het bestuur in juni 1916 al overgegaan tot de aanstelling van een gediplomeerde lekenverpleegster, die gezinnen bezocht en hulp verleende in gevallen waarin de bezoeksters geen uitkomst konden bieden.

Het werk verschoof steeds meer naar de professionele krachten. Hierdoor zag het bestuur zich in 1930 genoodzaakt, ‘hoe onaangenaam ook’ haar onafhankelijkheid op te geven. Als ‘Afdeling zuigelingen’ werd ze een onderdeel van de afdeling Breda van het Wit-Gele Kruis en zou als zodanig nog ruim tien jaar bestaan.

23 augustus 2019

Gebaseerd op: Jan Brouwers, Kruisvereniging Breda 100 jaar. 1903-2003 (Breda 2003) 49-73.

Archieven

Stadsarchief Breda
Thuiszorg Breda
Bisdom Breda, dossier Wit-Gele Kruis
Jaarverslagen gemeente Breda

Brabants Historisch Informatie Centrum, ’s-Hertogenbosch
Provinciale Noord-Brabantse Kruisvereniging

Literatuur: Artikelen Bredasche Courant en Dagblad De Stem.
P.M. Burghouts, ‘Volksgezondheid en volkshuisvesting in de periode 1901-1940’, in: H.F.J.M. van den Eerenbeemt ed., Aspecten van het sociale leven in Breda na 1850 (Tilburg 1965).
M.J.M. Duijghuisen, Geschiedenis van Breda III, 1795-1960, Hoofdlijnen en accenten (Breda 1990).
Th. Engelen en H. Hillebrand, ‘Vruchtbaarheid in verandering. Een gezinsreconstructie in Breda, 1850-1940’, in: *Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis• 9 (1985) 248-289.
J.P. Gribling, Vijftig jaar Wit-Gele Kruis in Noord-Brabant (z.p. 1966).
Ria Wijnen-Sponselee, Het Wit-Gele Kruis in Noord-Brabant 1916-1974: intermediair tussen medische verworvenheid en sociale acceptatie (Tilburg 1997).

Industrie in de Belcrum

Uit: Jan Brouwers en Henk Muntjewerff, Industrieel erfgoed in ViaBreda. Een factor van belang. Breda 2005.

Inleiding

Van huisnijverheid naar industrie

In 1886 verhuisde de familie Smits hun brouwerij De Drie Hoefijzers van de Boschstraat naar een terrein aan de tegenwoordige Ceresstraat. Dit terrein lag toen nog buiten de stad en er was nog voldoende ruimte. Daar had de brouwerij grote behoefte aan. De nieuwe bieren die in de mode kwamen, zoals pilsener, konden namelijk alleen op industriële schaal worden gebrouwen. Een brouwer die aan de traditionele kleinschalige bedrijfsvoering vasthield, moest vroeg of laat zijn zaak sluiten. Zo’n bedrijf kon de concurrentie niet meer aan.

Het oorspronkelijke brouwhuis van De Drie Hoefijzers bestaat nog steeds. Het markeert de overgang in Breda van kleinschalige huisnijverheid naar productie op industriële schaal. Al eerder, in 1872, was bijvoorbeeld de suikerfabriek gebouwd. Voor dergelijke bedrijven was geen plaats in de stad zelf en zo ontstonden aan de rand van de stad de eerste industrieterreinen. Deze uitbreiding vond plaats zonder een tevoren vastgesteld plan. Industrieën vestigden zich daar waar voldoende ruimte was en waar goede spoor- of waterwegen voorhanden waren. Dat was het geval ten noorden van Breda, op het grondgebied dat toen nog bij Teteringen en Princenhage hoorde. De gemeente Breda was in die tijd niet veel groter dan het gebied binnen de singels en de vestingwerken rond de stad belemmerden de uitbreiding.

Maar in 1868 verloor Breda zijn functie als vesting en twee jaar later werd begonnen met het slopen van de vestingwerken rond de stad. In 1874 kwamen de terreinen rond de Willemstraat beschikbaar. Breda leek te kunnen gaan profiteren van de industrialisatie, maar het gemeentebestuur maakte de vestiging van fabrieken juist onmogelijk. Tot grote teleurstelling van de Kamer van Koophandel bestemde de gemeente dit gebied voor woningbouw en verbood uitdrukkelijk het opstellen van stoomwerktuigen. Net als de besturen van steden als Haarlem, Utrecht en Arnhem verwachtten de Bredase politici dat de bouw van fraaie huizen mensen zou aantrekken die veel te besteden hadden. Dat was gunstig voor de middenstand en dus ook voor de stad, zo was de redenering.

Het idee dat de middenstand de motor van de Bredase economie kon zijn, aangedreven door de koopkracht van rijke burgers die werden aangetrokken door fraaie woonhuizen, bleek niet houdbaar. Maar het duurde lang voordat dit besef gevolgen had voor het industriebeleid van de gemeente. Pas in 1917 constateerde het gemeentebestuur dat Breda veel te weinig heeft gedaan aan de ontwikkeling van de industrie: “Het wordt thans niet meer gehoord, maar 15 à 20 jaar geleden bestond hier ter stede een streven, om van Breda te maken wat men toen noemde een luxestad.” Toch blijkt uit de cijfers dat de industriële werkgelegenheid aanzienlijk was toegenomen. Het aantal werknemers in nijverheid en industrie steeg tussen 1899 en 1917 van 3563 naar 5209. Maar dit was geen gevolg van een bewuste politiek. Bedrijven hadden geprofiteerd van de mogelijkheid zich te vestigen op het grondgebied van Teteringen en Princenhage. Deze laatste gemeente bood zelfs meer werkgelegenheid in de industrie dan Bergen op Zoom, Roosendaal en Breda. De groei van de industrie had zich onafhankelijk van het beleid van gemeentebesturen voltrokken. Dat ging nu veranderen. Breda nam voortaan zelf het initiatief bij het ontwikkelen van industriegebieden

De Belcrumpolder

Het meest geschikte gebied voor de vestiging van nieuwe industrieën was de Belcrumpolder. Dit gebied lag nog als een groene buffer tussen de industriegebieden die langs de Mark en de Nijverheidssingel en rond de Teteringsedijk waren ontstaan. De polder was eigendom van het rijk omdat het vroeger een bezit was geweest van de Nassaus die er een jachtterrein hadden. Op een heuvel die de Konijnenberg werd genoemd had Filips Willem van Oranje, een zoon van Willem van Oranje, in 1618 een ‘speelhuis’ laten bouwen. Het was een achtkantig gebouw van drie verdiepingen hoog. Daar kon de familie zich na de jacht op andere manieren vermaken. Eromheen lag een ‘sterrebos’: vanuit het speelhuis liepen dreven in een stervorm alle richtingen uit. Er stond een hek rond het terrein zodat het wild niet kon ontsnappen. Tijdens de belegeringen van 1625 en 1637 werd het hele bos gekapt. Het werd opnieuw aangeplant, maar Willem III, die in 1672 stadhouder werd, en zijn nazaten hadden er geen belangstelling meer voor. Het speelhuis werd uiteindelijk gesloopt en de grond werd verpacht aan landbouwers. Van de lange dreven was alleen de huidige Speelhuislaan nog over. Als het gebied opgehoogd zou zijn en van een nieuwe haven en spoorwegemplacement was voorzien, zou het een ideale locatie zijn voor industrie en zou de gemeente de eigen bedrijven – de gasfabriek, de reinigingsdienst en het nog op te richten gemeentelijk slachthuis – die met een nijpend gebrek aan ruimte te kampen hadden, daar onder kunnen brengen. Zulke bedrijven hoorden trouwens niet meer in een stad thuis, zeker niet in een stad als Breda “met veel rijksinrichtingen zoals de KMA, het militair hospitaal, kazernes, het gerechtsgebouw en de gevangenis”.

Er was echter een probleem: de Belcrumpolder lag niet in de gemeente Breda, maar in Teteringen. Al sinds het eind van de negentiende eeuw probeerde Breda de regering ertoe te bewegen om uitbreiding van het grondgebied toe te staan, maar in 1917 was er nog steeds geen zicht op een gunstige beslissing. Daarom besloot Breda de polder van het rijk te kopen. De koop vond in 1917 plaats voor ƒ243.000,-.

De Belcrum: het financiële graf van Breda?

Zo was de gemeente Breda eigenaar geworden van ongeveer 70 ha grond in een naburige gemeente. Een eigenaardige oplossing die al vaker werd toegepast. Ook de Baronielaan bijvoorbeeld, die grotendeels op het gebied van Ginneken en Bavel lag, was eigendom van de gemeente Breda. Er werd al zo lang gesproken over grenswijzigingen, dat Breda zijn toevlucht moest zoeken tot dit soort omwegen om aan de nodige ruimte te komen. En met de aankoop van de Belcrumpolder was het grondgebied waarover de gemeente kon beschikken met een kwart vermeerderd. Een dergelijke grote uitbreiding vroeg om bijzondere maatregelen: we kunnen het tegenover het nageslacht niet verantwoorden als er geen goed stedenbouwkundig plan voor de Belcrumpolder zou worden gemaakt, zo verwoordde het gemeenteraadslid CharlesStulemeijer het standpunt van de raad. De Roermondse architect J.Th.J. Cuypers kreeg de opdracht een exploitatieplan te maken voor de polder en met name voor “de noodige gemeentelijke inrichtingen voor havens, met los- en laadplaatsen, gasfabriek, reinigingsdienst, abattoir en woningen”. Daarbij moest hij rekening houden met het feit dat ook Teteringen zeggenschap over de grond had en bovendien hadden de spoorwegen plannen om hun emplacement uit te breiden. Zolang deze plannen niet precies bekend waren, kon Cuypers zijn ontwerp niet voltooien. Bovendien vond hij dat de ontwikkeling van de Belcrumpolder niet los kon worden gemaakt van de ontwikkeling van de agglomeratie Breda als geheel. Hij gaf daarom zijn opdracht terug met de boodschap dat een plan voor de Belcrum alleen mogelijk was in een ruimer perspectief. Zijn Bredase collega W.F.J.H. Bouman maakte op eigen initiatief een dergelijk plan. Hij zag Breda als een stad die “door zijne bijzondere geographische ligging” voorbestemd was om mettertijd een plaats van “groote internationale betekenis te worden”. Maar ook dit plan werd niet uitgevoerd en het zou nog tot 1929 duren voordat Breda met het ‘plan-Schaap’ een alomvattend plan voor de uitbreiding van de stad zou krijgen.

Maar zo lang kon de Belcrumpolder niet wachten en steeds meer gemeenteraadsleden werden nerveus. In 1925 bijvoorbeeld, betaalde de gemeente aan aflossing ƒ21.250,- en aan rente ƒ15,937,50. Daartegenover stond een opbrengst uit de verpachting van landbouwgrond van ƒ906,- en er was nog geen vierkante meter grond verkocht. Het was duidelijk dat niet gewacht kon worden op het uitbreidingsplan voor Breda als geheel en daarom lieten b. en w. de directeur van gemeentewerken een exploitatieplan voor de Belcrumpolder opstellen.

Het plan had tot doel zo veel mogelijk ruimte te scheppen voor industrie en daarnaast voor middenstands- en arbeiderswoningen. Voor de industrie was de aanleg van een haven onontbeerlijk. Bijkomend voordeel was dat grond die vrijkwam door het graven van de haven gebruikt kon worden voor ophoging van de polder. De Speelhuislaan was voorzien als hoofdverkeersweg met de overige straten hieraan evenwijdig of loodrecht hierop. Verder was er een terrein voor het slachthuis bepaald met daar tegenover ruimte voor een eventuele veemarkt. De woonwijk werd in het zuid-oosten gepland, in verband met de heersende zuid-westenwinden. Zo moest de overlast van de industrie beperkt blijven. In de woonwijk was plaats voor een kerk, school, postkantoor en andere voorzieningen en ook een speelterrein voor kinderen. De doorgaande wegen waren breed om de aanleg van een trambaan mogelijk te maken.

In zijn advies over het industrieterrein schreef de directeur van gemeentewerken dat het hele industrieterrein in een keer bouwrijp gemaakt hoefde te worden, maar dat begonnen kon worden met het meest waardevolle gedeelte en het geleidelijk aan in oostelijke en westelijke richting uit te breiden. Hij verwachtte dat het hele terrein rond 1935 uitverkocht zou zijn en een batig saldo zou opleveren van ƒ200.000,-.

Dat vond een aantal raadsleden veel te optimistisch. Het debat over het plan vond plaats in 1923. Het ging toen erg slecht met de economie en de industrie vertoonde geen enkele groei. Was er eigenlijk wel vraag naar industrieterreinen? Konden er niet beter sportterreinen worden aangelegd, waaraan zo’n grote behoefte was, net als aan betaalbare woningen: “een groot deel van de Bredase bevolking woont in krotten en spelonken”. Het graven van de haven en het bouwrijp maken van de grond langs de Terheydenseweg zouden ƒ400.000 gaan kosten. Dit kwam bovenop de ƒ273.000,- die de aankoop de gemeente al had gekost. De felste tegenstanders waren de twee leden van de fractie Schaepman. De Bredase katholieken waren in die jaren verdeeld in de kiesvereniging ‘Recht en Orde’, die de grootste fractie binnen de gemeenteraad vormde en een fractie, genoemd naar de in 1903 overleden katholieke politicus Herman Schaepman, bestaande uit A.W. Oostvogels en H.J.H. Hornix. De kritische opmerkingen van Oostvogels werden niet door de andere fracties ondersteund en leidden slechts tot irritatie bij burgemeester Van Sonsbeeck. Het was de laatste vergadering van de zittingsperiode van de gemeenteraad en bij de voorafgaande verkiezingen was Oostvogels niet herkozen. De burgemeester kon het niet laten op te merken dat Oostvogels “zijn zwanenzang gebruikt om een dergelijk diepgaand rapport met een paar woorden af te maken”. Van Sonsbeeck kon dat doen omdat alle andere fracties achter het college van b. en w. stonden: uiteindelijk stemden alleen Oostvogels en Hornix tegen, die opmerkte dat als de eerste spade in de grond ging, die zou worden gestoken “in het graf, waarin het financieel welzijn van Breda begraven wordt”.

In 1926 vroegen b. en w. opnieuw een krediet, nu van ƒ210.000,- voor de ophoging van terreinen, voor bestrating, riolering en aanleg van wegen. De raad kon niets anders doen dan instemmen met dit verzoek, omdat de grond anders nooit verkocht zou worden. Maar opnieuw zag een deel van de raad met klamme handen aan hoe er weer een voor die tijd aanzienlijk bedrag in de polder werd gepompt, terwijl de potentiële kopers nog niet bepaald in de rij stonden. Er was nog steeds geen exploitatiebegroting en niemand wist hoeveel er voor de grond gevraagd kon worden. Er was nog geen gemeentelijk grondbedrijf en de onderhandelingen over de grondprijs werden gevoerd door de directeur van openbare werken. Was de gemeentelijke organisatie wel berekend op deze taken? Breda leek zich te hebben vertild aan de Belcrumpolder.

Eindelijk: bedrijven in de Belcrumpolder

De veiling

Maar in 1926 was het tij voor de Belcrumpolder al aan het keren. De R.K. Baroniesche Tuinbouwvereeniging had in 1925 een stuk grond gekocht om er een groenteveiling te bouwen. Dat gebeurde voor het naar verhouding geringe bedrag van ƒ4 per m2. Opnieuw een reden voor de kritische Schaepman-fractie om tegen te stemmen. Maar het bleek een verantwoorde investering: de komst van de veiling trok direct handelaren in groente en fruit en conservenfabriejes aan. Al in datzelfde jaar had de conservenfabriek Klavers-Jansen, tot dan toe gevestigd aan de Nieuwe Huizen, gevraagd een stuk grond in de Belcrumpolder te kunnen kopen. Tot verbazing van het bedrijf bleef een antwoord lang uit, ook al waren er al reclameborden geplaatst waarop bedrijven op de mogelijkheid tot aankoop van grond in de Belcrumpolder werd aangeprezen. Het college wilde echter wachten tot er zekerheid was over de komst van de veiling. Dat zou het mogelijk maken een hogere prijs te vragen voor de grond en die gok pakte goed uit.

Een tweede belangrijke verkoop betrof een perceel voor de ijzergieterij Touw. Deze was toen nog gevestigd aan de Beekstraat en veroorzaakte veel overlast voor de omwonenden. Touw wilde graag verhuizen naar het nieuwe industriegebied en in februari 1925 waren daarover onderhandelingen gestart met de gemeente die uiteindelijk leidden tot een verkoopprijs van ƒ2,50 per m2. Dit was dus nog minder dan de ƒ4,- die de veiling had betaald. Opnieuw kwamen er bezwaren uit de gemeenteraad. Het onafhankelijke raadslid P. Haalman wees er nog maar eens op dat er nog steeds geen kader was voor de exploitatie van de Belcrumpolder. Na de in hun ogen ‘noodlottige’ verkoop aan de veiling, was de prijs van de grond opnieuw omlaag gegaan. En dat terwijl aan de Teteringsedijk, waar geen aansluitingen op spoor en waterwegen zijn, ƒ6,- per m2 betaald werd. De verantwoordelijke wethouder, H.J.W. Pelster, bracht hiertegen in dat niet alleen de opbrengst van belang was. Ook het verplaatsen van een bedrijf uit een woonwijk moest in de berekening betrokken worden. De meerderheid van de raad was het eens met dit standpunt waaruit bleek dat men niet alleen naar een maximale opbrengst wilde streven. Haalman kreeg alleen steun van de groep-Schaepman en van een van de drie leden van de sociaal-democratische fractie.

Het was even wennen voor de raad maar Breda leerde in die tijd hoe industrieterreinen gebruikt kunnen worden om milieuproblemen in de stad op te lossen en zelfs om bedrijven te redden. Dat bleek toen de ijzergieterij Touw in 1933 in acute financiële problemen terecht kwam. De problemen waren van tijdelijke aard en konden opgelost worden met een krediet van de bank. Maar toen bleek dat er een fout was gemaakt bij de overdracht van de grond aan Touw. De gemeente had de grond verkocht na een ingewikkelde grondruil waarbij ook de spoorwegen betrokken waren. Deze hadden verzuimd om bij het kadaster te melden dat ze geen eigenaar meer waren. Het terrein stond dus niet op naam van Touw. De bank accepteerde daarom de grond en gebouwen niet als onderpand en verstrekte geen lening. Touw had niet eens geld in kas om aan het eind van de week de lonen uit te betalen en stond plotseling aan de rand van een faillissement. Het bedrijf wendde zich daarop tot de gemeente bij wie Touw een waarborgsom van ƒ7.500,- had gestort toen de koopovereenkomst was gesloten. Die waarborg kreeg het bedrijf nu terug en daarmee konden de salarissen worden uitbetaald. Zo redde de gemeente het bedrijf. De IJzergieterij Touw zou tot 1983 in de Belcrumpolder gevestigd blijven en vooral in de laatste jaren van zijn bestaan bezorgde het de omgeving veel overlast.

Het slachthuis en de veemarkt

Een bedrijf dat, zij het in mindere mate dan de veiling, ook bedrijvigheid aantrok was het slachthuis. De Vleeskeuringswetdie in die tijd van kracht werd, bond het slachten van vee aan strengere eisen. In de praktijk zou dit betekenen dat de slagers niet meer in hun eigen bedrijf zouden slachten, maar in een openbaar slachthuis dat aan alle eisen voldeed. De Belcrumpolder bood hiervoor voldoende ruimte.

Dat gold ook voor de veemarkt. Veeteelt en veehandel in de omgeving van Breda groeiden en er was behoefte aan een centrale plaats waar in vee gehandeld kon worden. Ook nu weer schrok de raad van de hoogte van het bedrag dat de gemeente hierin moest investeren. Maar burgemeester Van Sonsbeeck vond het risico verantwoord. Zoals steeds verdedigde hij het doen van investeringen en het nemen van risico’s door het stadsbestuur, die hij in het belang van de stad achtte: “Zekerheid van slagen heeft men niet, maar de ontwikkeling van de stad eischt weleens een koene daad.” Van Sonsbeeck kreeg gelijk. In 1926 vond het langverwachte herstel van de economie plaats. Breda had op dat moment voldoende grond voor de industrie beschikbaar, die gunstig gelegen was aan water- en spoorwegen. Het wegvervoer speelde in die tijd nog een ondergeschikte rol. De stad ging de concurrentie aan met steden als Tilburg en ’s-Hertogenbosch en werd steeds actiever bij het aantrekken van nieuwe industrieën. Het nieuw opgerichte Grondbedrijf wist de verkoop in goede banen te leiden. Zo nodig werden bedrijven over de streep getrokken met gunstige voorwaarden. In bepaalde gevallen ging de gemeente er bijvoorbeeld toe over om grond in erfpacht uit te geven, waardoor een bedrijf niet ineens het hele aankoopbedrag voor de grond hoefde op te brengen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in 1937 toen de Tilburgse machinefabriek Schuurink plannen had om naar Breda te verhuizen. “Het is van belang dat er zich in Breda klein-industrie vestigt”, zo motiveerden b. en w. hun voorstel om de grond bij wijze van uitzondering in erfpacht te geven.

Ir. Hornix en het beeld van de Belcrumpolder

De woonwijk Belcurm is een mooi voorbeeld van woningbouw uit de jaren dertig van de twintigste eeuw. Er was vanaf het begin veel aandacht geweest voor de stedenbouwkundige kwaliteit van deze wijk. De gemeenteraad zag erop toe dat er voldoende speelruimte voor kinderen zou zijn en als een nieuwe tekening aangaf dat een stukje groen was verdwenen, dan leidde dat onmiddellijk tot opmerkingen in de raad. Maar als het om industriegrond ging, dan was de grote vraag of de gemeente wel genoeg voor de grond vroeg. In het algemeen is de aandacht voor het planmatig aanleggen van industrieterreinen van recente datum. Pas de laatste jaren worden bedrijventerreinen zoals Hoogeind planmatig aangelegd.

In de jaren dat de eerste gebouwen in de Belcrumpolder verrezen, moesten fabrieken en andere bedrijfsgebouwen weliswaar aan bepaalde eisen van welstand voldoen, maar veel beperkingen waren er niet. Dat kon ook niet, want een hal voor een machinefabriek of een koelinstallatie hebben nu eenmaal een zeer specifieke vorm. De meeste aandacht ging uit naar de bebouwing landgs de Belcrumweg. Deze verbindingsweg tussen het centrum en de woonwijk zag er niet erg vriendelijk uit. De gemeente probeerde hier iets aan te doen door bedrijven te verplichten er winkels met bovenwoningen te bouwen, maar dat deed de verkoopbaarheid van de percelen geen goed. Een bijzonder compromis werd gevonden toen de Compagnie Generale d’Electricité er in 1948 een stuk grond kocht. “Wat de bouw betreft moge worden gevraagd, of het U mogelijk zou zijn aan de frontzijde des avonds enige levendigheid te geven b.v. door een verlichte showroom of etalage of iets dergelijks, zodanig, dat het er achtergelegen Belcrumkwartier op enigermate aangename wijze met het stadscentrum wordt verbonden.”

Iemand die verder wilde gaan met de stedebouwkundige ontwikkeling van de Belcrumpolder was ir. P.A.H. Hornix, directeur van Openbare Werken van 1930 tot 1950 – niet te verwarren met het eerder genoemde gemeenteraadslid met dezelfde naam. Directeur Hornix, die zich graag ‘stadsbouwmeester’ noemde, ontwierp de markante watertoren aan de Speelhuislaan. Niet alleen aan het ontwerp van de toren zelf besteedde hij veel aandacht. Het gebouw kreeg een klein parkje en een vijver. Bovendien hield hij rekening met de skyline van de stad: “De plaats van den watertoren was (…), mede rekening houdende met de plaats van verschillende torens in de nabijheid, zoodanig gekozen, dat het silhouet van den toren geen afbreuk aan het algeheele silhouet van de stad zal doen”. Om die reden had hij de toren bij de kruising tussen de Crogtdijk en de Terheijdenseweg willen laten bouwen. Zo zou een driehoek zijn ontstaan met twee andere markante punten in de Belcrumpolder: de Christus Koningkerk en het Slachthuis. Maar de grond langs de Speelhuislaan bleek beter geschikt om de zware toren te dragen. Toch bleef Hornix aandringen op nader onderzoek om te zien of de bouw aan de Crogtdijk toch mogelijk was. Dit tot ergernis van de directeur van het Waterleidingbedrijf, die voor vertraging bij de bouw vreesde waardoor de watervoorziening van het snel groeiende Breda in gevaar zou kunnen komen.

Het is duidelijk dat de toren uiteindelijk aan de Speelhuislaan kwam te staan. Maar ook daar bleef Hornix zijn toren als stedenbouwkundig object verdedigen. Dat bleek toen aannemer W. Rasenberg in 1934 een terrein in de buurt van de toren wilde kopen. Hornix, die als directeur Openbare Werken ook het enkele jaren daarvoor opgerichte Grondbedrijf onder zich had, voerde namens de gemeente de onderhandelingen met Rasenberg. Hij legde het college van b. en w. een concept-overeenkomst voor, waarin een strook op het perceel dat de aannemer op het oog had voor een lagere prijs werd verkocht. Daar mocht namelijk geen gebouw worden neergezet, maar er moest een tuintje worden aangelegd om het zicht op de watertoren niet te ontnemen. Toen wethouder Van Mierlo het stuk onder ogen kreeg, was hij verbaasd: “Is het het plan om alles wat de toren in den weg staat open te houden? Dit bespreken in B&W”. Dat bleek inderdaad niet de bedoeling en Hornix kreeg de opdracht opnieuw met Rasenberg te gaan onderhandelen en nu het hele beoogde terrein voor bebouwing aan te bieden. De verbaasde Rasenberg ging snel akkoord; hij had het maar vreemd gevonden dat de gemeente wilde dat hij op zijn terrein ging tuinieren. In de nieuwe concept-overeenkomst die Hornix aan de wethouder voorlegde, was de strook die de zichtlijn moest vrijhouden verdwenen. Maar de directeur Openbare Werken kon het niet laten op te merken: “Ik betreur dat door den verkoop van dit perceel, hetwelk nu vermoedelijk geheel bebouwd zal worden, het doorzicht van den Belcrumweg op den Watertoren grootendeels wordt afgesneden.” Een ongehoorde opmerking voor een ambtenaar die het beleid van b. en w. moest uitvoeren. Van Mierlo voorzag de passage in het advies van drie nijdige strepen en een opmerking die hij later weer onleesbaar heeft gemaakt. Blijkbaar had hij in zijn woede een term opgeschreven die hij bij nader inzien minder passend achtte.Hornix kreeg dus zijn zin niet.Desondanks is de watertoren een markant punt in de buurt gebleven.

De industrie verdwijnt

De Belcrumpolder was de eerste belangrijke uitbreiding van Breda, waarbij de gemeente actief voorwaarden ging scheppen voor de komst van industrie naar de stad. Het was, rekening houden met de toenmalige omvang van de stad een ongekend forse uitbreiding, buiten het bestaande bebouwde kom. Vooral na de grootschalige uitbreiding van de stad in de jaren 1960, werd de Belcrumpolder van een buitenwijk haast een deel van het centrum. De veiling, de veemarkt en het slachthuis verdwenen, net als veel van de industrie die er zich in de eerste helft van de twintigste eeuw had gevestigd. Gebleven zijn de twee grote industri‘le complexen van de suikerfabriek en de brouwerij, die het gebied steeds hebben geflankeerd. Hun industriële functie hebben overigens grotendeels verloren.

Nu wacht het gebied een hele nieuwe ontwikkeling. De industrie kwam er, omdat spoor en water goede verbindingen garandeerden. Spoor en water zijn er nog steeds, maar hebben een nu een andere functie. Het goederenvervoer per trein is voor Breda veel minder belangrijk geworden. Nu is het personenvervoer hoofdzaak en moet de spoorzone een centrum van dienstverlening en cultuur worden. En het water heeft nog steeds een economische functie: het maakt het wonen aantrekkelijk. Zo gaat een industriegebied veranderen in een gebied voor wonen, recreëren en zakelijke dienstverlening. Tijdens een debat over de ontwikkelingsvisie 2020 verklaarde een wetenschapper dat Breda van industrie- in een dienstenstad moet veranderen: “Vrije tijd moet een plek krijgen in de stad, dan komt de koopkracht vanzelf. Vrije tijd is een vliegwiel dat zichzelf in stand houdt”. Een vergelijking die niet van veel technisch inzicht getuigt, maar daar gaat het niet om. Breda is geen industriestad meer. Het industriële tijdperk heeft nauwelijks anderhalve eeuw geduurd.

Wat herinnert er nog aan dat industriële verleden?

Bier en suikerwaren

De Suikerfabriek: icoon van de suikerindustrie

In 1871 stond de Bredase hoedenfabrikant J.F. Segers & zoon aan de wieg van een nieuwe industrie te Breda-Princenhage: de Bredasche Beetwortelsuikerfabriek, een commanditaire vennootschap onder firma Van Aken, Segers & Cie. Het startkapitaal bedroeg ƒ215.000,-. Samen met J.A. van Aken, gemeenteraadslid van Breda, lid van de Provinciale Staten en voormalig uitbater van de Bredase bierbrouwerij Het Wit Anker, stichtte Segers de 28ste suikerfabriek van Nederland. De vergunning voor de fabriek aan het trekpad langs de Mark werd in februari 1872 afgegeven. Als enige in Nederland bestelde Segers voor de suikerfabriek de technische installatie met diffusiebatterij in Duitsland. Daar kwamen ook de stoomketels vandaan. Bovendien had de fabriek al in 1873 een ‘chemiker’ aangesteld, die de beschikking kreeg over een eigen laboratorium.

Met deze nieuwe fabriek namen de in het suikervak onervaren industriëlen – de een was immers hoedenmaker en de ander bierbrouwer – een groot risico. Zo hadden ze met verschillende kinderziektes af te rekenen, waardoor tijdens de bietencampagne van 1872 de suikerproduktie nauwelijks van de grond kwam. De verliezen bleven oplopen, zodat de vennoten in 1874 het wijze besluit namen de suikerfabriek openbaar te verkopen. Voor ƒ174.000,- werd de Belgische bietsuikerfabrikant Felix Wittouck de nieuwe eigenaar. Hij begon direct aan een omvangrijke vervangingsoperatie, zodat al in 1875 van de oude installaties weinig meer over was. De naam Wittouck zou voor altijd aan de Bredase suikerfabriek verbonden blijven, totdat de fabriek in handen kwam van de CSM.

In het najaar van 1965 sloot de CSM de Wester suikerfabriek in Amsterdam. De productie van kristalsuiker en bruine basterdsuiker werd overgeheveld naar de fabriek in Breda. Hiervoor werden grote investeringen gedaan. Het terrein werd uitgebreid met een perceel aan de Markkade, waar tot 1955 de tweede fabriek van de Kwatta gevestigd was geweest. Het enorme gebouw leende zich aanvankelijk goed voor verhuur aan kleine bedrijven, maar omdat de gemeente Breda, die het gekocht had, te weinig aan onderhoud deed, waren de meeste huurders al snel vertrokken. De CSM kocht het terrein om er de grote silo te bouwen die nog steeds het meest in het oog springt van alle gebouwen in de buurt. De bouw van de silo, in de jaren 1967-1968, had te maken met de nieuwe manier waarop de suiker de consument bereikte. Tot dan toe was de suiker altijd verpakt geweest in zakken van 50 kg. De consument kocht zijn suiker bij de kruidenier die het product los verkocht. In de jaren zestig werd de verkoop van suiker in kleinverpakking – de pakken van 1 kg en de bekende suikerzakjes – steeds belangrijker. De kleinverpakking maakte het noodzakelijk de witte suiker los in bulk op te slaan en hiervoor waren speciale silo’s nodig. In Duitsland had men hiermee al ervaring en daarom zijn alle suikersilo’s van de CSM volgens een standaardmodel gebouwd door Lucks + Co uit Braunschweig.

De Bredase silo heeft een voet van 3 meter hoog, bestaat uit drie betonnen compartimenten en heeft een dak met staalconstructie. Dit alles is niet alleen nodig om het gewicht van de suiker te kunnen dragen, maar vooral om een explosie te voorkomen of op te vangen. Door de wrijving van de enorme hoeveelheid suikerkristallen kan namelijk brand of een stofexplosie ontstaan. De silo zelf is 45 m hoog en heeft een diameter van 34 m, geschikt om 10.000 ton suiker te bevatten. Met behulp van een elevatortoren wordt de suiker boven in de silo gestort.

De komst van de suikersilo leidde tot een automatisering van het interne suikertransport en vervolgens tot de inschakeling van vrachtauto’s voor het bulktransport. We zien dan ook bij de grootafnemers van suiker een verschuiving van losse opslag naar bulkopslag. Bij suikerwerkenfabriek de Faam werd in 1972 daarvoor een suikersilo in gebruik genomen. Terwijl in de winkel de kleinverpakking in de plaats kwam van opslag in zakken van 50 kg, ging de industrie over tot bulkopslag. Op die manier mogen de suikersilo’s met recht de iconen van de suikerindustrie genoemd worden. De silo in Breda is beeldbepalend, maar de historische waarde van het complex als geheel is beperkt. De herhaalde moderniseringen van de fabriek hebben ervoor gezorgd dat van het oorspronkelijke complex niets meer over is. In 2004 werd er de laatste bietencampagne gehouden.

Rowan Williams: ‘Religieuze gemeenschappen cruciaal voor democratie’

Foto: National Assembly For Wales cc-by-2.0

De westerse democratie verkeert in crisis. Dat betoogde Rowan Williams, voormalig aartsbisschop van Canterbury, tijdens een lezing in Den Haag. Hij was daar op uitnodiging van De Zinnen, katholiek netwerk voor inspiratie en dialoog. Democratie dreigt een dictatuur van de meerderheid te worden, aldus Williams. Het is nochtans nodig dat de stem van de minderheden gehoord wordt, ook van religieuze minderheden.

Voor Tertio interviewde ik de emeritus aartsbisschop. Enkele citaten:

 

Ik ben de afgelopen jaren betrokken geweest bij een project in Oxford waar we de christelijke en islamitische politieke theologie bekeken. En zoals te verwachten was, is er meer ruimte voor discussie dan mensen denken. De burgemeester van Londen is moslim en een voorbeeldige figuur in de democratische politiek. En hij is niet de enige. Daarom zeg ik dat we moslims niet als totaal vreemd en als een bedreiging moeten beschouwen.

De aanwezigheid van religieuze gemeenschappen is cruciaal voor de democratie.

Als minderheden niet van zich laten horen of als hen het zwijgen wordt opgelegd, komt de democratie in gevaar, vindt de aartsbisschop. Hij ziet dan een afglijden

naar de tirannie van de meerderheid, naar een staat die geen beperkingen kent en geen verantwoording aflegt. Op dit moment moeten we ons ernstig zorgen maken over de democratie in Europa en Amerika.

De dreiging die Williams ziet komt van het populisme, ‘een vreemde mythologie van de wil van het volk’ en het nationalisme.

“Dit zijn zaken die maken dat ik bezorgd ben over de gezondheid van de democratie. Trump is een extreem voorbeeld, maar ik denk dat we in de meeste Europese democratieën nationalistische en populistische partijen zien opkomen die wantrouwend staan tegenover de vreemdeling, in het bijzonder moslims, wantrouwend tegenover de politieke klasse, wantrouwend tegenover het internationale financiële systeem.” Het probleem is, aldus Williams, dat het populisme geen oplossingen aandraagt, behalve, in het geval van Trump, de vage belofte ‘to make America great again’

Wat geloofde Hitler?

Als Adolf Hitler gelovige was, waar geloofde hij dan in? Volgens de Amerikaanse historicus Richard Weikard, hoogleraar aan California State University, was hij een pantheïst. Weikart trekt die conclusie op basis van onderzoeken en bronnen die over dit onderwerp gepubliceerd zijn.

Het pantheïsme van Hitler hield in dat de wetten van de natuur de moraal bepaalden. Het boek waarin Weikhart dit alles neerlegt, ‘Hitler’s Religion. The Twisted Beliefs That Drove the Third Reich’[1] werd positief besproken in onder meer de Catholic History Review[2].

Nu is Weikhart wel een creationist: hij verwerpt de evolutietheorie. Wat dat met Hitler te maken heeft? Weikharts conclusie houdt onder meer in dat Hitlers anti-semitisme voortkomt uit zijn interpretatie van de wetenschap en niet uit het christendom. In een eerder boek ‘From Darwin to Hitler: Evolutionary Ethics, Eugenics and Racism in Germany’, legde hij een verband tussen Darwin en Hitler. Dit werk ontmoette veel kritiek: Hij leek er vooral op uit de evolutieleer in een kwaad daglicht te stellen.

Hoe dan ook is Weikharts boek een bijdrage aan een discussie die de afgelopen jaren vooral in Duitsland is gevoerd. Kevin P. Spicer plaatst het boek in die context in een artikel op Contemporary Church History. Spicer vindt dat Weikhart te weinig oog heeft voor het katholieke milieu waarin hij opgroeide en voor de steun die hij van vele Duitse katholieken kreeg, nadat hij aan de macht was gekomen. Hij noemt hem in religieus opzicht een ‘kameleon’. Misschien is ‘opportunist’ nog beter: hij nam niet de kleur aan van zijn omgeving, maar voor Hitler heiligde het doel alle middelen.


  1. Hitler’s Religion. The Twisted Beliefs That Drove the Third Reich. by Richard Weikart. (Washington, D.C.: Regnery History. 2016. Pp. xxx, 386. $29.99. isbN978–1–62157–500–0.)  ↩
  2. Skiles, W. (2017). Hitler’s Religion: The Twisted Beliefs that Drove the Third Reich. Church History, 86(2), 569–571. doi:10.1017/S0009640717001111  ↩

Berichten navigatie

1 2 3 4 5 6 7 8
Scroll naar boven